Instellingen

1


Terstond heeft koning Darjavesj

een bevel uitgevaardigd,-
en zijn ze gaan zoeken
   in het huis met de boekrollen

waar de schatten werden neergelegd
   daar in Babel.

2


Men vond in Achmeta,

in die burcht in het gewest Medië,
   één rol,-

en zó stond daarin geschreven:
   om te gedenken!-

3


in het eerste jaar dat Koresj koning is

heeft koning Koresj een bevel uitgevaardigd,
aangaande het godshuis in Jeruzalem,
dat het huis moet worden herbouwd;
ter plaatse waar ze offeranden offeren
moeten zijn fundamenten het weer torsen,-
zijn hoogte zestig ellen,
zijn breedte zestig ellen;

4


drie lagen steenblokken

en één laag hout;
deze uitgave
moet door het huis des konings
   worden teruggegeven;

5


en ook de vaten van het godshuis,
   van goud en zilver,

die Nevoechadnetsar
uit de tempel in Jeruzalem heeft weggehaald
   en naar Babel heeft gebracht,-

moeten ze laten terugkeren;
alles moet teruggaan naar de tempel
   in Jeruzalem, naar zijn oude plek,

en je moet het neerzetten
   in het huis van God!

••

6


Welnu,

Tatenai,
stadhouder van de overzij der Rivier,
   Sjetar Boznai en hun ambtgenoten,

ambtenaren
voor de overzij van de Rivier,-
houdt u ver daarvandaan!-

7


laat

het werk aan dat godshuis toe;
de stadhouder van de Judeeërs
   en de oudsten van de Judeeërs

moeten dat godshuis herbouwen
   op zijn oude plek;

8


door mij wordt een bevel uitgevaardigd

over hoe ge moet samenwerken
met deze oudsten van de Judeeërs
bij de herbouw van dat huis van God;
uit de rijkdommen van de koning,
de belastingopbrengst
   van de overzij der Rivier,

moet zorgvuldig de uitgave
   aan deze kerels worden teruggegeven,

en dat onverwijld;

9


en wat er nodig is:

jonge stieren, rammen en lammeren
   als opgangsgaven aan de God des hemels,
   tarwe,

zout, wijn en zalfolie
zoals de priesters te Jeruzalem zeggen
   dat aan hen gegeven moet worden,
   dag aan dag,

en dat zonder mankeren,-

10


opdat zij rustgevende geuren
   kunnen doen naderen

tot de God des hemels,-
en zullen bidden
voor het leven van de koning en zijn zonen;

11


en door mij wordt het bevel uitgevaardigd

dat bij alleman
die iets verandert aan deze beschikking
een paal uit zijn huis zal worden gerukt,
en opgehangen
   moet hij daaraan worden vastgeslagen;

zijn huis zal vanwege hem
   tot een puinhoop
   worden gemaakt;

12


de God

die daar zijn naam doet wonen
moge neerstoten
elke koning en gemeenschap
   die zijn hand zal uitstrekken

om anders te doen en dat godshuis
   in Jeruzalem te verderven!-

ik, Darjavesj, heb een bevel uitgevaardigd:
laat het met zorg worden gedaan!

13


Terstond hebben Tatenai,

stadhouder van de overzij der Rivier,
   en Sjetar Boznai, en hun ambtgenoten,-

overeenkomstig
wat koning Darjavesj aldus had verzonden
   met zorg gedaan.

14


Juda’s oudsten bleven bouwen
   en waren voorspoedig daarin,

dankzij de profetie van de profeet Haggai
en Zecharja, de zoon van Ido;
zij bouwden en voltooiden
vanwege het bevel van Israëls God
en het bevel van Koresj, Darjavesj
en Perziës koning Artachsjast.

15


Ze voerden het werk aan dit huis uit

tot op de derde dag van de maand Adar;
het was het zesde jaar
van het koningschap van koning Darjavesj.

16


De zonen en dochters van Israël,
   de priesters, Levieten en de rest
   van de zonen der ballingschap

hebben de inwijding van dit godshuis
   met vreugde gedaan.

17


Zij naderden

voor de inwijding van dit godshuis
met honderd stieren,
een dubbelhonderd rammen,
vierhonderd lammeren,-
en twaalf geitenbokken
   als ontzondigingsgave voor heel Israël,

naar het aantal van Israëls stammen.

18


Zij hebben de priesters opgesteld

in hun groepen
en de Levieten in hun afdelingen
voor de dienst aan God in Jeruzalem,-
zoals is voorgeschreven
   in de boekrol van Mozes.

19


Dan houden de kinderen der ballingschap
   het paasmaal,-

op de veertiende na de eerste nieuwemaan.

20


Omdat de priesters en de Levieten
   als één man zich hebben gereinigd,
   zijn zij allen rein

en kunnen zij
   voor alle kinderen der ballingschap
   het paaslam slachten,

en voor hun broeders de priesters
   en voor zichzelf,

21


en eten zij het, de zonen en dochters van Israël

die uit de ballingschap zijn teruggekeerd
en elk
die zich naar hen toe heeft afgescheiden
   van de smet op de volkeren van het land,-

om mee te zoeken
naar de Ene, Israëls God.

22


Dan houden zij het feest van de matses,

zeven dagen lang, met vreugde;
want de Ene heeft hen verheugd:
hij heeft
het hart van Asjoers koning naar hen
   toegedraaid

om hun handen sterk te maken
bij het werk aan het huis van Israëls God.