Instellingen

1


Toen al deze dingen voleindigd waren

traden tot mij de oversten toe en zeiden:
ze hebben zich niet gescheiden gehouden,
de gemeenschap van Israël,
   de priesters en de Levieten,

van de gemeenschappen van deze landen
met hun gruweldaden:
   de Kanaäniet, de Chitiet,
   de Periziet, de Jeboesiet,

de Amoniet, de Moabiet,
de Egyptenaar en de Amoriet;

2


want van hun dochters
   hebben zij er meegedragen

voor henzelf en voor hun zonen;
en zij, geheiligd zaad, hebben zich vermengd
met de gemeenschappen van deze landen;
en de hand van de oversten en de bestuurders
is in deze trouweloosheid
   de eerste geweest!

••

3


Met dat ik dit woord hoorde,

scheurde ik mijn gewaad en mijn overkleed,-
rukte ik mij
het haar van mijn hoofd en mijn baard uit
en zat verbijsterd neer.

4


En bij mij verzamelden ze zich,

al wie huiverde
   van de woorden van Israëls God

over de trouweloosheid van de ballingen,-
terwijl ik verbijsterd neerzat
tot aan de broodgift van de avond.

5


Bij de broodgift van de avond

stond ik op uit mijn verootmoediging
en met mijn gewaad
   en overkleed gescheurd,-

boog ik mij op mijn knieën
en spreidde ik mijn handpalmen uit
   naar de Ene, mijn God.

6


Ik zei:

mijn God, ik ben te zeer beschaamd
en te schande gemaakt
om, mijn God, mijn aanschijn
   op te heffen tot u;

want onze ongerechtigheden
   zijn ons boven het hoofd gestegen

en onze schuld
   is tot in de hemelen gegroeid;

7


sinds de dagen van onze vaderen

verkeren wij in grote schuld,
tot op deze dag,-
om onze ongerechtigheden
zijn wíj,
onze koningen en onze priesters
   gegeven in de hand
   van de koningen der landen,

aan zwaard, kerkering, beroving en
   beschaming van aanschijn,
   en zo is het op deze dag;

8


en nu is er

voor een klein ogenblik
   begenadiging geweest
   van bij de Ene, onze God,

door ons een ontkoming over te laten
en ons een tentpin te geven
   in het oord van zijn heiligheid,-

waardoor onze God onze ogen heeft verlicht
en ons gegeven heeft een kleine herleving
   in onze dienstbaarheid;

9


want we zijn wel dienstknechten

maar in onze dienstbaarheid
heeft onze God ons niet verlaten,-
maar voor het aanschijn
   van Perziës koningen

heeft hij vriendschap naar ons toegeneigd
   en ons herleving gegeven

om het huis van onze God te verheffen
en zijn puinhopen te herstellen;
hij heeft ons in Juda en Jeruzalem
een schutsmuur gegeven;
••

10


en nu, onze God, wat kunnen wij
   hierna zeggen?-

want wij hebben uw geboden verlaten,

11


die gij ons hebt geboden

door de hand van uw dienaars de profeten,
   toen zij zeiden:

het land
waar gij zult komen om het te beërven,
een smerig land is dat,
door de smerigheid
   van de gemeenschappen
   van de landen rondom,-

door hun gruweldaden
waarmee ze het van rand tot rand
   van hun smet hebben vervuld;

12


welnu, úw dochters

zult ge niet geven aan hun zonen,
en hún dochters zult ge niet aandragen
   naar uw zonen,

en vrede voor hen en het goede voor hen
   zult ge niet zoeken tot in eeuwigheid,-

opdat ge sterk wordt
en eten zult het goede des lands
en dat zult vererven aan uw kinderen
   tot in eeuwigheid!,

13


en na alles wat over ons is gekomen

door onze kwade daden
en door onze grote schuld,-
terwijl gij, onze God,
ons minder hebt toegerekend dan
   onze ongerechtigheid

en ons zulk een ontkoming hebt gegeven,

14


zouden wij terugkeren
   om weer uw geboden te breken

en ons te verzwageren
met de gemeenschappen
   van deze gruweldaden?-

zult gij dan niet tegen ons toornen
   tot het helemaal uit is

en er geen rest is en geen ontkoming?-

15

Ene,
God van Israël, rechtvaardig zijt gij,
want wij zijn ontkomen
   en als rest overgebleven,
   zó is het op deze dag;

hier zijn wij, voor uw aanschijn,
   in onze schuld,

want er is niemand die voor uw aanschijn
   kan bestaan, hierom!