Instellingen

1


En het geschiedt in de maand Nisan

van het twintigste jaar
   van koning Artachsjast,
   dat er wijn voor zijn aanschijn staat;

ik hef de wijn op en geef die aan de koning,
zonder ooit kwaadgestemd geweest te zijn
   voor zijn aanschijn.

2


Dan zegt de koning tot mij:

waarom staan je gelaatstrekken zo kwaad?-
jij die nooit ziek bent,
dit kan niet anders zijn
dan een kwaadgestemd hart!
Ik word heel erg bevreesd.

3


Ik zeg tot de koning:

de koning leve voor eeuwig!-
waarom zouden mijn gelaatstrekken
   niet kwaad staan,

nu de stad die het grafhuis is
   van mijn vaderen, een puinhoop is

en haar poorten verteerd zijn door het vuur!
••

4


Dan zegt de koning tot mij:

waarover doe jij nu een verzoek?
Ik bid
tot de God des hemels

5


en zeg tot de koning:

dat, als het de koning goeddunkt
en als uw dienaar goed is voor uw aanschijn,-
ge mij naar Juda zendt,
naar de stad met de graven van mijn vaderen,
en dat ik haar mag herbouwen!

6


Dan zegt de koning tot mij,

terwijl de dame zetelt aan zijn zijde:
tot wanneer zal je weggaan duren
   en wanneer keer je terug?

Het dunkt ’s konings aanschijn goed
   om mij uit te zenden,
   en ik geef hem een tijdsplan.

7


Ik zeg tot de koning:

als het de koning goeddunkt,
mogen mij dan brieven worden meegegeven
aan de stadhouders van over-de-Rivier,-
dat ze mij doortocht verlenen
totdat ik aankom in Juda,-

8


en een brief

aan Asaf, bewaker van het paradijs
   des konings,

dat hij mij boomstammen zal geven
om de poorten van de burcht bij het huis
   te overzolderen,
   voor de stadsmuur

en voor het huis waarin ik zal komen!
De koning geeft ze mij,
goed als de hand van mijn God voor mij is.

9


Ik kom aan

bij de stadhouders van over-de-Rivier,
en geef aan hen
de brieven van de koning;
legeroversten en ruiters
heeft de koning met mij meegezonden.

10


Dan hoort

Sanvalat, de Choroniet,
en ook Tovia, de Amonitische dienaar,
en het is voor hen een kwaad ding,
   een groot kwaad,-

dat er een mens gekomen is
om voor de zonen en dochters van Israël
   het goede te zoeken.