Instellingen

11


Als ik in Jeruzalem aankom,-
   en daar drie dagen ben,

12


sta ik ’s nachts op,

ikzelf en een paar mannen met mij;
ik heb aan geen mens gemeld
wát
mijn God mij in het hart gegeven heeft
om aan Jeruzalem te doen;
en ik heb geen ander bij mij
dan het dier
waarop ik rijd.

13


Ik ga de Dalpoort uit, bij nacht,

naar het aanschijn van de Drakenwel
en naar de Mestpoort;
ik doe onderzoek
   naar Jeruzalems muren,

daar waar ze doorbroken zijn
en haar poorten verteerd zijn door het vuur.

14


Ik steek over naar de Welpoort,

en naar de Koningsvijver;
er is voor het dier onder mij geen plek
   om over te steken.

15


Ik blijf ’s nachts door het beekdal opklimmen

en blijf de muur onderzoeken;
dan keer ik om
en kom weer binnen door de Dalpoort;
   zo keer ik weer.

16


De bestuurders

hebben niet geweten waar ik heengegaan ben
en wat ik wil doen,-
ik heb aan de Judeeërs en de priesters,
   aan de edelen, de bestuurders

en de overigen die het werk doen
tot dan toe niets gemeld.

17


Ik zeg tot hen:

ge ziet zelf wel de kwalijke toestand
   waarin we verkeren,

nu Jeruzalem verwoest is
en haar poorten verbrand zijn in het vuur;
gaat mee,
laten we Jeruzalems muur herbouwen
en niet langer een voorwerp van hoon zijn!

18


Ik meld aan hen de hand van mijn God,

hoe goed die voor mij is,
en ook de woorden die de koning
   tot mij heeft gezegd;

en zij zeggen:
   wij zullen opstaan en gaan bouwen!,

en maken hun handen sterk
   voor dit goede werk.

19


Als Sanvalat de Choroniet,
   met Tovia de Amonitische dienaar

en Gesjem de Arabier, dit hoort,
bespotten en verachten ze ons;
ze zeggen:
wat wil dit waarmee ge doende zijt,
gaat ge tegen de koning rebelleren?

20


Maar ik geef hun een woord terug

en zeg tot hen: de God des hemels,
hij zal het ons doen gelukken,
en wij die hem dienen
   zullen opstaan en gaan bouwen;

en gíj hebt
geen deel en recht en gedachtenis
   in Jeruzalem!