sta ik ’s nachts op, ikzelf en een paar mannen met mij; ik heb aan geen mens gemeld wát mijn God mij in het hart gegeven heeft om aan Jeruzalem te doen; en ik heb geen ander bij mij dan het dier waarop ik rijd.
13
Ik ga de Dalpoort uit, bij nacht, naar het aanschijn van de Drakenwel en naar de Mestpoort; ik doe onderzoek naar Jeruzalems muren, daar waar ze doorbroken zijn en haar poorten verteerd zijn door het vuur.
14
Ik steek over naar de Welpoort, en naar de Koningsvijver; er is voor het dier onder mij geen plek om over te steken.
15
Ik blijf ’s nachts door het beekdal opklimmen en blijf de muur onderzoeken; dan keer ik om en kom weer binnen door de Dalpoort; zo keer ik weer.
16
De bestuurders hebben niet geweten waar ik heengegaan ben en wat ik wil doen,- ik heb aan de Judeeërs en de priesters, aan de edelen, de bestuurders en de overigen die het werk doen tot dan toe niets gemeld.
17
Ik zeg tot hen: ge ziet zelf wel de kwalijke toestand waarin we verkeren, nu Jeruzalem verwoest is en haar poorten verbrand zijn in het vuur; gaat mee, laten we Jeruzalems muur herbouwen en niet langer een voorwerp van hoon zijn!
18
Ik meld aan hen de hand van mijn God, hoe goed die voor mij is, en ook de woorden die de koning tot mij heeft gezegd; en zij zeggen: wij zullen opstaan en gaan bouwen!, en maken hun handen sterk voor dit goede werk. •
19
Als Sanvalat de Choroniet, met Tovia de Amonitische dienaar en Gesjem de Arabier, dit hoort, bespotten en verachten ze ons; ze zeggen: wat wil dit waarmee ge doende zijt, gaat ge tegen de koning rebelleren?
20
Maar ik geef hun een woord terug en zeg tot hen: de God des hemels, hij zal het ons doen gelukken, en wij die hem dienen zullen opstaan en gaan bouwen; en gíj hebt geen deel en recht en gedachtenis in Jeruzalem!