Instellingen

33


En het geschiedt* In veel vertalingen begint hier hoofdstuk 4.

zodra Sanvalat heeft gehoord
dat wij bezig zijn de muur te herbouwen,
dat het bij hem losbrandt
en hij heel boos wordt;
dan bespot hij de Judeeërs.

34


Hij zegt voor het front van zijn broeders

en de legermacht van Samaria,-
hij zegt:
wat zijn die verlepte Judeeërs aan het doen?-
willen ze alles dichtpleisteren, er offeren,
   en dat op een dag voltooien?-

willen ze de stenen uit de stofhopen
   levend maken,
   zo verbrand als die zijn?

35


Tovia de Amoniet is aan zijn zijde;

hij zegt:
wat ze ook bouwen,
als er een jakhals opklimt
slaat hij al een bres in hun stenen muur!

36


‘Hoor, onze God, hoe geminacht
   wij zijn geworden

en laat hun hoon terugkeren
   op hun eigen hoofd;

geef hen prijs aan plundering
   in een land van kerkering;

37


dek hun ongerechtigheid niet toe

en wis hun zonde niet weg
   van voor uw aanschijn;

want zij hebben tergend tegenover
   de bouwers gestaan!’

38


Maar wij bouwen verder aan de muur

en heel de muur staat al weer in verband
   tot op de helft van haar hoogte;

de gemeente is er met hart en ziel
   mee doende.