Instellingen

8


Ik zeg tot hen:

zelf hebben wij onze Judese broeders
   die waren verkocht aan de volkeren,

naar ons vermogen teruggekocht,
maar nu verkoopt gij uw broeders
   en worden zij aan ons verkocht!

Zij zwijgen,
ze hebben geen woord weten te vinden.
••

9


Ik zeg:

het is geen goede zaak, wat gij doet;
zoudt ge niet
in ontzag voor onze God moeten wandelen
na de smaad door de volkeren,
   onze vijanden?-

10


ook ik, mijn broeders en mijn jongens

hebben bij hen een schuld te vorderen
   in geld en graan,-

maar laten we deze schuld toch
   achter ons laten!-

11


laat toch vandaag nog

hun velden, hun wijngaarden, hun olijfbomen
   en hun huizen naar hen terugkeren,-

met de honderdsten op het geld,
   het graan, de most en de olie

die gij bij hen als schuld te vorderen hebt!

12


Dan zeggen ze: we geven het terug,

we zullen het van hen niet opeisen,
we zullen zó doen
als jij zegt!
Dan roep ik de priesters
en laat hen zweren
   om naar dit gesprokene te doen!

13


Ook heb ik mijn boezem uitgeschud

en gezegd:
evenzo zal God alle man
die dit woord niet gestand zal doen,
wegschudden uit zijn huis
   en uit wat hij met zijn arbeid heeft bereikt;

evenzo uitgeschud en leeg zal hij worden!
En allen van de vergadering zeggen:
   amen!

Zij loven de Ene
en de gemeente doet naar dit woord.

14


Ook heb ik, met mijn broeders,
   vanaf de dag dat men mij gebood

om in het land Juda stadhouder te worden,
van het twintigste jaar
tot het tweeëndertigste
   van koning Artachsjast,

twaalf jaar dus,-
geen stadhouderlijk brood gegeten.

15


De eerdere stadhouders,
   vóór mijn verschijning,
   hebben zwaar gedrukt op de gemeenschap;

zij namen van hen, buiten brood en wijn,
veertig sikkels zilver;
zelfs hun hulpjongens gedroegen zich
   als heersers over de gemeenschap;

ík heb zo niet gedaan,
vanwege ontzag voor God.

16


Ook heb ik me sterk gemaakt
   voor het werk aan deze muur,

en een veld hebben we niet gekocht;
al mijn hulpjongens
   zijn daar verzameld geweest
   bij het werk.

17


De Judeeërs en de bestuurders,
   honderd en vijftig man,

en die tot ons kwamen uit de volkeren
   die ons omringen,
   had ik aan mijn tafel.