Instellingen

1


En het geschiedt

zodra door Sanvalat en Tovia,
   door Gesjem de Arabier
   en door de rest van onze vijanden
   is gehoord

dat ik de muur heb herbouwd
en geen bres daarin is overgebleven,-
al had ik tot dat tijdstip
nog geen deuren in de poorten geplaatst,

2


dat Sanvalat met Gesjem
   bericht tot mij zendt en laat zeggen:

kom,
laten we met elkaar een samenkomst hebben
   in de Kefiriem,
   in de kloof van Ono!-

maar zij beramen
mij kwaad te doen.

3


Ik zend boden tot hen en laat zeggen:

met een groot werk ben ik doende
en zal dus niet kunnen afdalen;
waarom zou het werk moeten stoppen
   zodra ik het laat liggen

en naar u zal afdalen?

4


Vier malen zenden zij tot mij een bericht

in deze bewoordingen,-
en laat ik hen terugkeren
met ongeveer hetzelfde woord.
••

5


Dan zendt Sanvalat tot mij
   voor de vijfde maal
   met dat woord een jongen van hem,-

met een open brief in zijn hand.

6


Geschreven staat daarin:

bij de volkeren is te horen
   en Gasjmoe zegt het ook:

jij en de Judeeërs beramen oproer,
en daarom bouw jij de muur op;
jijzelf
wilt koning over hen worden
volgens deze uitspraken;

7


ook heb je profeten

aangesteld om over jou in Jeruzalem
   uit te roepen en te zeggen:

‘koning in Juda!’-
en nu zal dat worden gehoord
   door de koning

in deze bewoordingen; welnu, kom,
en laten we ons met elkaar beraden!
••

8


Ik zend bericht aan hem en laat zeggen:

er is niets geschied dat overeenkomt
   met deze woorden

die jij zegt;
nee, je verzint ze vanuit je hart!

9


Want zij allen

trachten ons bevreesd te maken
   door te zeggen:

‘hun handen zullen het werk laten liggen
   zodat het niet zal worden gedaan!’-

versterk nu mijn handen!

10


Als ik ben binnengekomen

in het huis van Sjemaja,
zoon van Delaja zoon van Mehetavel,
en dat afgesloten is,-
zegt hij:
laten we samenkomen in het huis van God,
   in de tempelhal,

en de deuren van de tempel sluiten,
want ze komen je ombrengen,
   vannacht komen ze om je om te brengen!

11


Maar ik zeg:

zal een man als ik vluchten?-
kan iemand als ik de tempel binnenkomen
   en overleven?-

ik kom niet mee!

12


Ik herken het:

zie, niet God heeft hem gezonden;
want hij heeft wel profetisch
   tot mij gesproken,

maar Tovia, en Sanvalat,
   hebben hem gehuurd.

13


Daartoe is hij gehuurd

dat ik bevreesd zal worden, zó zal doen
   en dan gezondigd heb;

dan zouden ze iets hebben
   dat mijn naam kwaad deed

en konden ze mij honen.

14


Gedenk, mijn God, voor Tovia
   en ook voor Sanvalat,
   deze daden van hen!-

en ook voor de profetes Noadja
   en de overigen van de profeten

die eropuit geweest zijn
   om mij vrees aan te jagen!

15


De muur wordt in vrede voltooid

op de vijfentwintigste Elloel,-
dus na tweeënvijftigmaal een dag.

16


En het geschiedt:

zodra al onze vijanden dat hebben gehoord,-
en alle volkeren die ons omringen
het zien,
vallen ze diep in hun eigen ogen;
zij beseffen
dat dit werk gedaan is
vanuit onze God.

17


Maar ook in die dagen

vermenigvuldigen
edelen van Juda hun brieven
die naar Tovia gaan,-
en die van Tovia aankomen bij hen.

18


Want velen in Juda

zijn eedgenoten van hem
omdat hij een schoonzoon is
   van Sjechanja, zoon van Arach;

en zijn zoon Jehochanan
heeft
de dochter van Mesjoelam,
   zoon van Berechja gehuwd.

19


Ook zijn zij goede dingen over hem

blijven zeggen tot mijn aanschijn,
en mijn woorden
zijn ze blijven uitbrengen naar hem;
   maar Tovia zond steeds brieven
   om mij vrees aan te jagen.