En het geschiedt: zodra al onze vijanden dat hebben gehoord,- en alle volkeren die ons omringen het zien, vallen ze diep in hun eigen ogen; zij beseffen dat dit werk gedaan is vanuit onze God.
17
Maar ook in die dagen vermenigvuldigen edelen van Juda hun brieven die naar Tovia gaan,- en die van Tovia aankomen bij hen.
18
Want velen in Juda zijn eedgenoten van hem omdat hij een schoonzoon is van Sjechanja, zoon van Arach; en zijn zoon Jehochanan heeft de dochter van Mesjoelam, zoon van Berechja gehuwd.
19
Ook zijn zij goede dingen over hem blijven zeggen tot mijn aanschijn, en mijn woorden zijn ze blijven uitbrengen naar hem; maar Tovia zond steeds brieven om mij vrees aan te jagen.