Instellingen

1


Als op de vierentwintigste dag

van deze maand
de zonen en dochters van Israël
   zich hebben verzameld,
   in een vasten en gehuld in rouwzakken

en met –rode– grond over zich heen,

2


scheiden zij zich als zaad van Israël af

van alle kinderen van een vreemdeling;
staande
doen zij belijdenis van hun zonden
en de ongerechtigheden van hun vaderen.

3


Op hun standplaats staan zij op

en zij lezen hardop
uit de boekrol met het onderricht
van de Ene, hun God,
gedurende een kwart van de dag;
een kwart ook doen zij belijdenis
   en onderwerpen zij zich

aan de Ene, hun God.