Als op de vierentwintigste dag van deze maand de zonen en dochters van Israël zich hebben verzameld, in een vasten en gehuld in rouwzakken en met –rode– grond over zich heen,
scheiden zij zich als zaad van Israël af van alle kinderen van een vreemdeling; staande doen zij belijdenis van hun zonden en de ongerechtigheden van hun vaderen.
3
Op hun standplaats staan zij op en zij lezen hardop uit de boekrol met het onderricht van de Ene, hun God, gedurende een kwart van de dag; een kwart ook doen zij belijdenis en onderwerpen zij zich aan de Ene, hun God. •