Instellingen

15


Brood uit de hemel
   hebt gij aan hen voor hun honger gegeven,

en waterstromen
hebt ge uit de rots voor hen voortgebracht
   voor hun dorst,-

en ge hebt tot hen gezegd
dat ze moesten komen
   om het land te beĆ«rven

waarvoor gij uw hand hebt opgeheven
   om het aan hen te geven.

16


Maar zij, onze vaderen, werden onbekookt;

zij verhardden hun nek
en hebben niet gehoord
   naar uw geboden.

17


Zij weigerden om te horen

en hebben niet teruggedacht
   aan de wonderen die gij bij hen
   hebt gedaan;

zij verhardden hun nek
en wilden koppig terugkeren
   naar hun dienstbaarheid in Egypte* In de Hebreeuwse tekst staat: door Mirjam.;

maar gij waart een God van vergeving,
   genadig en barmhartig,

lankmoedig en groot van goedertierenheid,
   en hebt hen niet verlaten.

18


Zelfs

toen zij zich een gegoten kalf hebben gemaakt
en zeiden:
dit is je God
die je heeft doen opklimmen uit Egypte!-
en zo grote godslasteringen
aanrichtten,

19


hebt gij in uw overvloedige barmhartigheden

hen niet achtergelaten in de woestijn;
de wolkkolom is overdag
   niet van boven hen geweken,
   om hen te leiden over de weg;

en de zuil van vuur niet in de nacht,
   om voor hen de weg te verlichten

waarlangs zij gingen.

20


Uw goede Geest

hebt gij gegeven
   om hun inzicht te schenken,-

en ge hebt uw manna
   niet aan hun mond onthouden

en ge hebt hun water gegeven
   voor hun dorst.