Gij zijt het, Ene, gij alleen, gij hebt gemaakt de hemelen, de hemelen der hemelen en heel hun strijdschaar, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en gij doet hen allen leven; de hemelse strijdschaar buigt zich voor u neer!
Gij zijt, Ene, de God,- gij hebt Abram uitverkoren en uitgeleid uit Oer van de Kasdiem; gij hebt van zijn naam Abraham gemaakt!
8
Gij hebt zijn hart getrouw bevonden voor uw aanschijn en hebt met hem het verbond gesmeed om te geven het land van de Kanaäniet, de Chitiet, de Amoriet, de Periziet, de Jeboesiet en de Girjasjiet,- om dat te geven aan zijn zaad; gij hebt uw woorden gestand gedaan omdat gij rechtvaardig zijt!
9
Gij hebt gezien de ellende van onze vaderen in Egypte; hun schreeuwen bij de Rietzee hebt gij gehoord!
10
Gij hebt tekenen en wonderen gegeven aan Farao, aan al zijn dienaren en aan heel de gemeenschap van zijn land, want gij hebt er weet van gehad hoe zij zich tegen hen misdragen hebben,- en gij hebt u een naam gemaakt die klinkt tot op deze dag!
11
De zee hebt gij voor hun aanschijn gekliefd, zodat zij midden door de zee over het droge konden trekken; hun achtervolgers hebt gij de diepten in geworpen als een steen, in wateren vol kracht.
12
In een wolkkolom hebt gij hen geleid des daags,- en in een zuil van vuur des nachts om voor hen de weg te verlichten waarlangs zij gingen.
13
Op de berg Sinaï zijt ge neergedaald en hebt ge met hen gesproken vanuit de hemelen; gij hebt hun gegeven rechtuitgaande rechtsregels en onderrichtingen vol trouw, goede inzettingen en geboden
14
en uw heilige sabbat hebt ge hun bekendgemaakt; geboden, inzettingen en onderricht hebt ge hun geboden door de hand van Mozes, uw dienaar.
15
Brood uit de hemel hebt gij aan hen voor hun honger gegeven, en waterstromen hebt ge uit de rots voor hen voortgebracht voor hun dorst,- en ge hebt tot hen gezegd dat ze moesten komen om het land te beërven waarvoor gij uw hand hebt opgeheven om het aan hen te geven.