Instellingen

6


Gij zijt het, Ene, gij alleen,
   gij hebt gemaakt

de hemelen, de hemelen der hemelen
   en heel hun strijdschaar,

de aarde en al wat daarop is,
   de zeeën en al wat daarin is,

en gij doet hen allen leven;
de hemelse strijdschaar
   buigt zich voor u neer!

7


Gij zijt, Ene, de God,-

gij hebt Abram uitverkoren
en uitgeleid uit Oer van de Kasdiem;
gij hebt van zijn naam
   Abraham gemaakt!

8


Gij hebt zijn hart getrouw bevonden
   voor uw aanschijn

en hebt met hem het verbond gesmeed
om te geven
het land van de Kanaäniet, de Chitiet,
de Amoriet, de Periziet, de Jeboesiet
   en de Girjasjiet,-
   om dat te geven aan zijn zaad;

gij hebt uw woorden gestand gedaan
omdat gij rechtvaardig zijt!

9


Gij hebt gezien
   de ellende van onze vaderen
   in Egypte;

hun schreeuwen bij de Rietzee
   hebt gij gehoord!

10


Gij hebt tekenen en wonderen gegeven

aan Farao, aan al zijn dienaren
   en aan heel de gemeenschap van zijn land,

want gij hebt er weet van gehad
hoe zij zich tegen hen misdragen hebben,-
en gij hebt u een naam gemaakt
   die klinkt tot op deze dag!

11


De zee hebt gij voor hun aanschijn gekliefd,

zodat zij midden door de zee
   over het droge konden trekken;

hun achtervolgers hebt gij de diepten in
geworpen als een steen, in wateren vol kracht.

12


In een wolkkolom

hebt gij hen geleid des daags,-
en in een zuil van vuur des nachts
om voor hen de weg te verlichten
waarlangs zij gingen.

13


Op de berg Sinaï zijt ge neergedaald

en hebt ge met hen gesproken
   vanuit de hemelen;

gij hebt hun gegeven
   rechtuitgaande rechtsregels
   en onderrichtingen vol trouw,

goede inzettingen en geboden

14


en uw heilige sabbat
   hebt ge hun bekendgemaakt;

geboden, inzettingen en onderricht
hebt ge hun geboden
   door de hand van Mozes, uw dienaar.

15


Brood uit de hemel
   hebt gij aan hen voor hun honger gegeven,

en waterstromen
hebt ge uit de rots voor hen voortgebracht
   voor hun dorst,-

en ge hebt tot hen gezegd
dat ze moesten komen
   om het land te beërven

waarvoor gij uw hand hebt opgeheven
   om het aan hen te geven.