Instellingen

4


Het samenraapsel dat er in hun kring is,-

die worden gegrepen
   door een gulzigheid;

op hun beurt weer weeklagen
ook de zonen en dochters van Israël
en zeggen:
wíe zal ons vlees doen eten!

5


Wij gedenken de vis

die we in Egypte aten, kosteloos!-
de augurken,
de meloenen,
de prei, de uien en de knoflook!

6


En nú is onze ziel verdroogd,
   er is níets van dat alles!,

alleen maar manna zien onze ogen…!

7


Het manna:
   zoiets als korianderzaad was het;

het oogde zoals edelhars oogt.

8


Ze verspreidden zich, de gemeente,
   vergaarden en
   vermaalden het met handmolens

of stampten het fijn met de stamper,
ze kookten het in de ketel
of maakten het klaar als koeken;
de smaak ervan is geweest
als de smaak van oliegebak.

9


Bij het dalen van de dauw
   over de legerplaats,
   ’s nachts,

daalde ook het manna daarop neer.

10


Maar nu hoort Mozes de gemeente

weeklagen, per familie!-
per man voor de ingang van zijn tent;
de Ene ontsteekt in laaiende woede
en ook in de ogen van Mozes
   is het een kwaad.

11


Dan zegt Mozes tot de Ene:

waarom hebt u dit kwaad gedaan
   aan uw dienaar

en waarom heb ik geen genade gevonden
   in uw ogen?-

dat ge de last van heel deze gemeente
gelegd hebt op míj?-

12


ben ík zwanger geweest van

heel deze gemeente,
of heb ík die soms geboren doen worden?-
dat ge tot míj zegt:
‘draag hem op je schoot!’,
zoals de voedstervader
   de zuigeling ronddraagt,-

tot op de –rode– grond* Zie de voetnoot bij Numeri 5,6.
die gij aan zijn vaderen hebt gezworen?

13


Wáár haal ik vlees vandaan

om te geven aan heel deze gemeente?-
want ze huilebalken tegen míj en zeggen:
‘geef ons vlees, dan hebben we te eten!’

14


Ik ben op mijn eentje niet bij machte

heel deze gemeente te dragen;
want dat is te zwaar voor mij!

15


En als het zó moet,
   wat gij mij aandoet,

vermoord me dan toch, moordenaar,
als ik genade heb gevonden in uw ogen!-
dan zal ik het kwaad over mij
   niet meer zien!

16


Dan zegt de Ene tot Mozes:

verzamel voor mij
zeventig man
uit Israëls oudsten,
van wie je weet
dat zij oudsten van de gemeente zijn
   en mensen met overzicht daarin;

meenemen moet je die
   naar de tent van samenkomst,

en dáár posteren, met jou.

17


Nederdalen zal ik

en spreken met jou,
dáár;
terzijde leggen zal ik
van de geestesadem die over jou is
   en leggen op hen;

ze zullen náást jou meedragen
   aan de last van de gemeente,-

niet langer draag jíj die op je eentje.

18


En tot de gemeente zul je zeggen:
   heiligt u voor morgen,

ge zult vléés eten;
want
ge hebt geweeklaagd
   in de oren van de Ene,
   door te zeggen:

‘wíe zal ons vlees doen eten,
want wat hadden we het in Egypte goed!’
Geven zal de Ene u: vlees,
   en éten zult ge!

19


Niet slechts één dag zult ge het eten
   en niet een páár dagen;

niet vijf dagen,
niet tien dagen,
niet twintigmaal een dag, maar

20


tot de dagen een máánd vormen,

tot het je de neusgaten uitkomt
en het voor u om te kotsen zal wezen!-
en wel hierom
dat ge veracht hebt de Ene
   die in uw midden is,

en voor zijn aanschijn weeklaagt
   door te zeggen:

‘waarom zijn we eigenlijk weggetrokken
   uit Egypte?’

21


Dan zegt hij,

Mozes:
zeshonderdduizend te voet telt
de gemeente
in wiens midden ik sta;
en gij hebt gezegd
‘vlees zal ik hun geven en
eten zullen ze de dagen van een maand’;

22


het wolvee en het rundvee
   moet voor hen worden afgeslacht
   wil het voor hen toereikend zijn;

als alle vissen van de zee
   voor hen worden verzameld
   zal het toereikend zijn voor hen!

23


Dan zegt de Ene tot Mozes:

zal de hand van de Ene te kort wezen?
Nu zul je het zien of mijn spreken
   tot jou uitkomt of niet!

24


Mozes gaat naar buiten

en spreekt tot de gemeente
de woorden van de Ene;
hij verzamelt
zeventig man uit de oudsten
   van de gemeente

en stelt ze op rondom de tent.

25


De Ene daalt neer in de wolk

en spreekt tot hem;
hij legt van de Geest die op hem is terzijde
en geeft die
over de zeventig man van de oudsten;
en het geschiedt:
zodra de Geest op hen rust
profeteren zij, maar hebben (daaraan) niet toegevoegd.

26


Twee mannen zijn er óver in de legerplaats;

de naam van de een is Eldad;
de naam van de tweede is Medad,
   en op hen rust de Geest;

zij horen bij de ingeschrevenen
maar zijn niet mee uitgetrokken naar de tent;
ze profeteren in de legerplaats.

27


De jongen rent weg,

meldt het aan Mozes en zegt:
Eldad en Medad zijn
in de legerplaats aan het profeteren!

28


Dan antwoordt Jozua, zoon van Noen,

de helper van Mozes,
   een van zijn eerstelingen,
   en zegt:

mijn heer Mozes, houd ze tegen!

29


Maar Mozes zegt tot hem:

moet jij jaloers zijn ten behoeve van mij?-
wie zal me dat geven:
héél de gemeente van de Ene profeten,
omdat de Ene zijn Geest over hen geeft!

30


Dan verzamelt Mozes zich in de legerplaats,

hij met Israëls oudsten.

31


De geestesstorm
   is opgebroken van bij de Ene,

en voert kwakkels mee
van de zee
en gooit ze over de legerplaats,
   bijna een dagreis ver híerheen

en bijna een dagreis ver dáárheen
rondom de legerplaats;
en zo’n dubbel-el dik
   over het aanschijn van het land.

32


Nu staat de gemeente op:

heel die dag, heel de nacht
   en heel de volgende dag

verzamelen ze de kwakkels,-
wie het minste had
verzamelde al tien mudden;
ze spreiden ze uitgebreid uit
rondom de legerplaats.

33


Terwijl het vlees nog

tussen hun tanden zit,
   nog niet eens fijngekauwd,

ontsteekt de woede van de Ene
   tegen de gemeente

en slaat de Ene de gemeente
met een zeer geweldige slag.