Instellingen

16


Dit zijn de namen van de mannen

die Mozes heeft uitgezonden
   om het land te verkennen;

Mozes roept tot Hosea,- red toch!,
   de zoon van Noen:
   Jozua,- hij zal redden!

17


Mozes zendt hen weg

om het land van Kanaän te verkennen;
hij zegt tot hen:
klimt hier in het zuiden op
en beklimt dan het gebergte.

18


Ziet het land aan: hoe is het?-

en de gemeenschap die daarop woont:
is die sterk of zwak,
is die gering of talrijk?

19


En hoe is het land

waarop hij zetelt:
is het goed of slecht?-
en hoe is het met de steden
waarin hij zetelt:
in (open) legerplaatsen of in vestingen?

20


Hoe is het land: is het vet of schraal?-

is er geboomte of helemaal geen?-
maakt u sterk
en neemt iets mee
   van de vrucht van het land,-

deze dagen
zijn de dagen van de eerstelingen
   van de druiven!

21


Ze klimmen op en verkennen het land,

van de woestijn Tsien tot Rechov,
   waar men komt bij Chamat.

22


Ze klimmen in het zuiden op,

en komen aan bij Hebron;
dáár heb je Achiman, Sjesjai en Talmai,
geboren in Anak!-
Hebron
is gebouwd zeven jaren
vóór de verschijning van Tsoan in Egypte.

23


Ze komen bij het dal Esjkol,- tros,

ze snijden daar een rank af
   en een tros druiven, één maar,

en moeten die met z’n twééën
   dragen aan een stok!-

verder granaatappels en vijgen.

24


Dat oord

heeft men uitgeroepen tot ‘dal van Esjkol’,-
   tros!

om reden van de tros
die de zonen Israëls
   daar hebben afgesneden.

25


Ze keren terug van de verkenning
   van het land,-

na verloop van veertigmaal een dag.

26


Ze gaan op weg

en komen aan bij Mozes en Aäron
   en bij heel de samenkomst
   van de zonen Israëls,
   in de woestijn van Paran,
   op Kadeesj aan;

ze keren terug met een woord bij hen
   en bij heel de samenkomst

en laten hun zien: de vrucht van het land.

27


Ze vertellen hem alles en zeggen:

we zijn aangekomen
in het land waarheen je ons hebt gezonden,
en inderdaad:
   overvloeiend van melk en honing is het!-
   en dít is zijn vrucht!

28


Máár: het is een ijzersterke gemeenschap

die in het land zetelt;
de steden zijn
véstingen, bovenmate gróót!,
en ook hebben we daar
   borelingen van Anak gezien.

29


Amalek zetelt in het zuiderland;

de Chitiet, de Jeboesiet en de Amoriet:
   (elk) zetelt in het gebergte,

de Kanaäniet zetelt aan de zee
en op de hand van de Jordaan!-

30


Kaleb probeert
   de gemeente rustig te houden
   tegenover Mozes;

hij zegt: met een goede klim
klimmen we omhoog en beërven het,
want met wat wij vermogen,
   zijn wij het machtig!

31


Maar de mannen
   die met hem samen zijn opgeklommen,
   hebben gezegd:

dat vermogen we niet,
   opklimmen tot die gemeenschap!,

want die is sterker dan wij!

32


Ze laten over het land
   dat ze hebben verkend
   lasterpraat uitgaan

naar de zonen Israëls, door te zeggen:
het land
waardoor we zijn overgestoken
   om het te verkennen,

een land
dat z’n ingezetenen verslindt is dat
en heel de gemeenschap
   die we erin hebben gezien
   bestaat uit mannen van formaat!

33


Daar hebben we gezien:

de reuzen!, de zonen van Anak,
   die tot de reuzen behoren;

we waren in onze eigen ogen als sprinkhanen
en dat zijn we in hun ogen ook geweest!