Instellingen

1


Dan heft heel de samenkomst aan

en geven ze hun stem (te horen);
ze weeklagen, de gemeente, in die nacht.

2


Ze morren tegen Mozes en tegen Aäron,

alle zonen Israëls;
ze zeggen tot hen, heel de samenkomst:
ach, waren we gestorven
   in het land van Egypte,

of in deze woestijn,-
   waren we maar gestorven!

3


Waarom wil de Ene
   ons doen komen in dit land
   om er te vallen door het zwaard?-

onze vrouwen en ons kroost
   zullen er tot roofgoed worden!-

is het niet beter voor ons
   terug te keren naar Egypte?

4


Ze zeggen, man en broeder, tot elkaar:

laten we onszelf een hoofdman geven
   en omkeren naar Egypte!

5


Mozes en Aäron vallen op hun aanschijn,

voor het aanschijn
van heel de vergaderde samenkomst
   der zonen Israëls.

6


Jozua, zoon van Noen,

en Kaleb, de zoon van Jefoenee,
uit de gelederen van hen
   die het land hadden verspied,

hebben hun gewaden gescheurd.

7


Ze zeggen

tot heel de samenkomst
   van de zonen Israëls
   wat ze te zeggen hebben:

het land
waardoor wij overgestoken zijn
   om het te verkennen,

zeer, zeer góed is dat land!

8


Als de Ene behagen heeft in ons,

zal hij ons in dit land doen komen
en het aan ons geven:
een land
dat overvloeit van melk en honing!

9


Dus: tegen de Ene

hoeft ge u niet af te zetten;
gij
hoeft de gemeenschap van dat land
   niet te vrezen

want een gebroken brood zijn zij voor ons;
geweken is hun schaduw van boven hen,
   de Ene is met ons,
   vreest hén niet!

10


Ze hebben het er al over,
   heel de samenkomst,

om hen om te brengen met de stenen,
als de glorie van de Ene
zich laat zien in de tent van samenkomst
aan alle zonen Israëls!