Instellingen

11


Dan zegt de Ene tot Mozes:

tot wanneer blijven ze mij honen,
   deze gemeente?,

en tot wanneer
   hebben ze geen vertrouwen in mij,-

bij alle tekenen
die ik in hun midden heb gedaan?

12


Ik zal hem slaan met de pest
   en hem onterven;

ik maak jóu
tot een volk, groter
   en met meer ruggegraat dan hij!

13


Maar Mozes zegt tot de Ene:

horen zullen de Egyptenaren
dat gij door uw kracht deze gemeente
   uit hun midden hebt doen opklimmen;

14


zeggen zullen ze

tot wie zetelt in
dit land:
ze hebben gehoord dat gij, Ene,
in het midden van deze gemeente zijt,-
omdat ge oog aan oog te zien zijt: gij, Ene,-
nu uw wolk boven hen stilstaat,
en in een staande wolk
gij voor hun aanschijn voortgaat overdag
en in een standaard van vuur des nachts;

15


zult ge nu deze gemeente
   als één man doden,

dan zullen de volkeren zeggen,-
die het ongehoorde over u hebben gehoord,-
   ze zullen zeggen:

16


omdat hij niet

bij machte is, de Ene,
om deze gemeente te doen komen
in het land dat hij hun heeft toegezworen,
slacht hij ze af in de woestijn!-

17


welnu:

laat toch de kracht van mijn Heer zo gróót zijn
als ge hebt uitgesproken toen u zei:

18


de Ene,

lankmoedig en overvloedig in vriendschap,
die verdraagt: onrecht en overtreding;
maar ongestraft: níets laat hij ongestraft,
bezoekend
het onrecht van vaders aan zonen,
aan derden en vierden!-

19


vergeef toch

in uw grote vriendschap
   het onrecht van deze gemeente,

zoals ge voor deze gemeente
   het hebt verdragen

van Egypte tot hiertoe!

20


Dan zegt de Ene:

vergeven zal ik naar jouw woord;

21


niettemin, zowaar ik leef

en glorie van de Ene al het land vervult:

22


omdat al de mannen

die mijn glorie
   en mijn tekenen hebben gezien

-die ik heb gedaan in Egypte
   en in de woestijn-

mij op de proef stellen,
nu al tienmaal,
en niet gehoord hebben naar mijn stem:

23


áls ze óóit het land zien

dat ik aan hun vaderen heb gezworen…!
elk die mij gehoond heeft, zal het níet zien!

24


Maar mijn dienaar Kaleb,-

als loon dat met hem
een andere geest geweest is
en hij volledig achter mij staat,
zal ik hém wel doen komen
in het land waar hij al eenmaal gekomen is
en zijn zaad zal het beërven.

25


De Amalekiet zetelt met de Kanaäniet
   in het dal;

mórgen geldt:
wendt u om en breekt op, u, naar de woestijn,
   op weg naar de Rietzee!

26


Dan spreekt de Ene

tot Mozes en Aäron, en zegt:

27


tot hoe lang duurt het

met deze kwaadaardige samenkomst
dat zij tegen mij blijven morren?
Het gemurmureer
van de zonen Israëls
waarmee zij tegen mij blijven morren
   heb ik gehoord!

28


Zeg tot hen:

zowaar ik leef -tijding van de Ene
als ik níet
met u zal doen
zoals gij hebt gesproken in mijn oren…!

29


In deze woestijn zullen uw lijken neervallen,
   en al uw ingelijfden, naar heel uw getal

van twintig jaar oud en daarboven,
nu gij tegen mij hebt gemord!

30


Als gíj ooit komt in het land

waarvoor ik mijn hand heb geheven
om u daarin te laten wonen!…
nee!- alleen Kaleb, de zoon van Jefoenee,
en Jozua, de zoon van Noen!

31


En uw kroost,

waarvan ge gezegd hebt
   ‘tot roofgoed wordt dat’:

hén zal ik er doen komen
en kennen zullen zij het land
dat gij hebt veracht!

32


Uw lijken, gijzelf!-

zullen neervallen in deze woestijn!

33


Uw zonen zullen
   herders worden
   in de woestijn, veertig jaar lang,

en uw hoererij moeten dragen,
totdat gij als lijken eindigt
   in de woestijn!

34


Naar het aantal van de dagen
   dat ge het land hebt verkend,

veertigmaal een dag, zult ge,
een jaar voor een dag
en zo weer een jaar voor een dag,
uw ongerechtigheden dragen:
veertig jaar!-
kennen zult gij mijn áfwezigheid!

35


Ik, de Ene,

heb gesproken:
als ik dit niet doe
aan heel deze kwaadaardige samenkomst
van samenzweerders tegen mij!…
in déze woestijn zullen ze
   aan hun eind komen,
   daar zullen ze doodgaan!