Instellingen

20


Dan zegt de Ene:

vergeven zal ik naar jouw woord;

21


niettemin, zowaar ik leef

en glorie van de Ene al het land vervult:

22


omdat al de mannen

die mijn glorie
   en mijn tekenen hebben gezien

-die ik heb gedaan in Egypte
   en in de woestijn-

mij op de proef stellen,
nu al tienmaal,
en niet gehoord hebben naar mijn stem:

23


áls ze óóit het land zien

dat ik aan hun vaderen heb gezworen…!
elk die mij gehoond heeft, zal het níet zien!

24


Maar mijn dienaar Kaleb,-

als loon dat met hem
een andere geest geweest is
en hij volledig achter mij staat,
zal ik hém wel doen komen
in het land waar hij al eenmaal gekomen is
en zijn zaad zal het beërven.

25


De Amalekiet zetelt met de Kanaäniet
   in het dal;

mórgen geldt:
wendt u om en breekt op, u, naar de woestijn,
   op weg naar de Rietzee!

26


Dan spreekt de Ene

tot Mozes en Aäron, en zegt:

27


tot hoe lang duurt het

met deze kwaadaardige samenkomst
dat zij tegen mij blijven morren?
Het gemurmureer
van de zonen Israëls
waarmee zij tegen mij blijven morren
   heb ik gehoord!

28


Zeg tot hen:

zowaar ik leef -tijding van de Ene
als ik níet
met u zal doen
zoals gij hebt gesproken in mijn oren…!

29


In deze woestijn zullen uw lijken neervallen,
   en al uw ingelijfden, naar heel uw getal

van twintig jaar oud en daarboven,
nu gij tegen mij hebt gemord!

30


Als gíj ooit komt in het land

waarvoor ik mijn hand heb geheven
om u daarin te laten wonen!…
nee!- alleen Kaleb, de zoon van Jefoenee,
en Jozua, de zoon van Noen!

31


En uw kroost,

waarvan ge gezegd hebt
   ‘tot roofgoed wordt dat’:

hén zal ik er doen komen
en kennen zullen zij het land
dat gij hebt veracht!