Instellingen

1


Korach,

zoon van Jitshar zoon van Kehat
   zoon van Levi,

neemt Datan en Aviram,
   de zonen van Eliav, mee,
   en On, de zoon van Pelet
   (allen) zonen van Ruben.

2


Zij staan op tegen het aanschijn van Mozes,

met van de andere mannen
   uit de zonen Israëls
   nog vijftig en een dubbelhonderd;

verhevenen van de samenkomst,
   roepers van de samenkomst,
   mannen van naam!

3


Ze vergaderen

tegen Mozes en tegen Aäron
en zeggen tot hen:
het gaat te ver met u!,
want álles van de samenkomst,
   állen zijn ze geheiligd

en onder hen is de Ene;
waarom wel verheft u zich
   boven de vergadering van de Ene?

4


Mozes hoort dat

en valt op zijn aanschijn.

5


Hij richt het woord tot Korach
   en heel die samenscholing van hem

en zegt:
morgen maakt de Ene bekend
   wie er bij hem hoort
   en de geheiligde is,
   en zal hij die tot zich doen naderen;

wie hij uitkiest,
   die doet hij dan tot zich naderen.

6


Doet dít:

neemt vuurpannen mee,-
Korach en heel zijn samenkomst!,

7


geeft daarin vuur

en legt daarop wierook
   voor het aanschijn van de Ene, morgen;

geschieden zal het:
de man welke de Ene verkiest,
   die is de geheiligde;

het gaat te ver met u, zonen van Levi!

8


Mozes zegt tot Korach:

hoort toch, zonen van Levi!-

9


is het te weinig

dat Israëls God u heeft onderscheiden
   van Israëls samenkomst

door u te laten naderen tot hem,-
om te dienen
in het dienstwerk van de woning
   van de Ene,

om voor het aanschijn
   van de samenkomst te staan
   als helper voor hen?

10


Hij doet jóu tot zich naderen,

en al je broeders Levi-zonen met jou;
en nu hebt ge ook
   gejaagd naar het priesterschap!

11


Daardoor zijn

jij en heel jouw ‘samenkomst’ het
die samenscholen tegen de Ene!-
en Aäron, wie is hij wel
dat ge murmureert tegen hem?

12


Dan zendt Mozes bericht

om Datan en Aviram te roepen,
   de zonen van Eliav;

maar die zeggen:
   we klimmen niet meer mee óp!

13


Is het te weinig

dat je ons hebt laten opklimmen
   uit een land
   dat overvloeit van melk en honing

om ons te laten doodgaan in de woestijn,
dat je ook nog vorst over ons wilt worden?-
   hij is al vorst geworden!

14


Nee,

niet naar een land dat overvloeit
   van melk en honing
   heb je ons laten komen!-

en evenmin geef je ons
een erfdeel van
   veld en wijngaard!-

wou je
die mannen de ogen uitsteken?-
   wij klimmen niet mee op!

15


Dat steekt Mozes bovenmate,

en hij zegt tot de Ene:
wend u niet tot hun broodgift;
niet een ézel heb ik van hen geheven
en niet één van hen heb ik kwaad gedaan!

16


Dan zegt Mozes tot Korach:

jij en heel je samenscholing,
weest aanwezig
   voor het aanschijn van de Ene:

jijzelf, zij en Aäron, morgen.

17


Neemt u per man zijn vuurpan

en geeft daarop wierook
en doet dat naderen
tot het aanschijn van de Ene,
   per man zijn vuurpan,-

vijftig en een dubbelhonderd vuurpannen;
jij en Aäron, per man zijn vuurpan!

18


Ze nemen

per man zijn vuurpan
en geven daarop vuur aan
en leggen reukwerk daarop;
ze staan stil
in de ingang van de tent van samenkomst,
   met Mozes en Aäron.

19


Korach vergadert tegen hen
   heel de samenkomst

bij de ingang van de tent van samenkomst;
dan laat de glorie van de Ene zich zien
   aan heel de samenkomst.

20


De Ene spreekt

tot Mozes en tot Aäron en zegt:

21


scheidt u af

van deze samenkomst;
dan zal ik ze in een ogenblik verteren!

22


Ze vallen op hun aanschijn en zeggen:

o God,
God van de ademtochten voor alle vlees:
die ene man zondigt
en op héél de samenkomst zijt gij woedend?

23


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

24


spreek tot de samenkomst en zeg:

klimt óp van
rondom de woning van Korach,
   Datan en Aviram!

25


Mozes staat op

en gaat naar Datan en Aviram;
achter hem gaan Israëls oudsten.

26


Hij spreekt tot de samenkomst en zegt:

wijkt toch
van de tenten van deze boosardige mannen!-
raakt niets aan wat van hen is;
anders wordt ge weggerukt
   door al hun zonden!

27


Dan klimmen ze óp

van rondom de woning van Korach,
   Datan en Aviram;

Datan en Aviram zijn naar buiten getrokken,
   geposteerd

voor de ingang van hun tenten,
met hun vrouwen en hun zonen
   en hun kroost.

28


Nu zegt

Mozes:
hieraan zult ge weten
dat de Ene mij heeft gezonden
om al deze daden
te doen,
dat het niet (een gril) van mijn hart is:

29


als ze de dood
   van elke –rode– mens* Zie de voetnoot bij Numeri 5,6. sterven,
   zij hier,

en het lot dat elke –rode– mens treft,
blijft hún lot,
dan heeft niet de Ene mij gezonden;

30


maar als in zijn scheppende werk

de Ene een scheppingsdaad doet,
en open spert de –rode– grond
   haar mond,
   verslinden zal zij hen
   en al wat bij hen hoort,

en levend dalen ze neer in het schimmenrijk:
weten zult ge dan
dat deze mannen de Ene hebben gehoond!