Instellingen

1


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

2


zeg tot Elazar,
   zoon van Aäron de priester,

dat hij de vuurpannen moet opheffen
   uit de brand

en het vuur moet verstrooien,
   ver weg!,

want ze zijn ‘heilig’ geworden!

3


De vuurpannen

van deze zondaars ten koste van
   hun lijf-en-ziel,

maken zult ge daarvan
   platgeslagen platen als overtrek
   voor het altaar,

want ze hebben ze doen naderen tot
   het aanschijn van de Ene
   en nu zijn ze geheiligd;

wezen zullen ze er als een teken
   voor de zonen en dochters van Israël!

4


Dan neemt

Elazar de priester
de koperen vuurpannen
welke zij die weggebrand zijn
   hadden doen naderen,

en plet ze tot een overtrek voor het altaar,-

5


een gedachtenis

voor de zonen Israëls
met het doel dat niet nadert
   een man die er vreemd aan is:

die niet uit het zaad van Aäron is,-
om wierook te doen roken voor het aanschijn
   van de Ene;

en hem niet zal geschieden als Korach
   en zijn samenkomst

zoals de Ene van hem heeft gesproken
door de hand van Mozes.

6


Ze morren de volgende morgen,
   heel de samenkomst van de zonen Israëls,

tegen Mozes en tegen Aäron, en zeggen:
júllie zijn het die hebben gedood:
   een gemeenschap van de Ene!

7


Het geschiedt

als de samenkomst zich tegen
   Mozes en Aäron vergadert

en ze zich wenden naar
   de tent van samenkomst,-

ziedaar, de wolk heeft hem overdekt:
zichtbaar wordt de glorie van de Ene.

8


Mozes -en ook Aäron- komt

tot het aanschijn van
   de tent van samenkomst.

9


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

10


maakt u los

uit deze samenkomst,
dan zal ik hen ogenblikkelijk verteren!-
ze vallen neer op hun aanschijn.

11


Mozes zegt tot Aäron:

neem de vuurpan,
   geef daarop vuur van op het altaar,
   leg er wierook op,

ga haastig tot de samenkomst
   en vraag verzoening over hen;

want uittrekken zal de toorn
   van voor het aanschijn van de Ene,-
   beginnen zal de plaag!

12


Aäron neemt het mee
   zoals Mozes heeft gesproken

en snelt naar het midden van de vergadering,
en ziedaar, de plaag is al begonnen
   in de gemeente;

hij geeft de wierook
en vraagt verzoening over de gemeente.

13


Hij staat stil tussen de doden
   en de levenden;

de plaag wordt afgeremd.