Instellingen

1


Ze komen aan,

de zonen Israëls, héél de samenkomst,
   in de woestijn Tsien
   in de eerste maand,

en de gemeente zet zich neer in Kadeesj,-
   heilighuis.

Dáár sterft Mirjam
en dáár wordt zij begraven.

2


Er is geen water geweest
   voor de samenkomst;

en ze vergaderen
tegen Mozes en tegen Aäron.

3


De gemeente ruziet met Mozes;

ze zeggen wat ze te zeggen hebben:
ach waren we maar gesmoord
   toen onze broeders smoorden
   voor het aanschijn van de Ene!-

4


en waarom hebt ge de vergadering
   van de Ene laten komen

in deze woestijn!-
om daar te sterven?,
wijzelf en ons beestenspul?-

5


waarom hebt ge ons laten opklimmen
   uit Egypte

om ons te laten komen
in dit kwade oord?-
het is geen oord voor zaaizaad,
vijgenboom, wijnstok en granaatappel,-
en water om te drinken is er óók niet!

6


Dan komt Mozes -en Aäron ook-
   uit het aanschijn
   van de vergadering vandaan

naar de opening van de tent
   van samenkomst

en laten ze zich op hun aanschijn vallen;
dan laat de glorie van de Ene
   zich aan hen zien.

7


De Ene spreekt tot Mozes en zegt:

8


neem de staf

en vergader de samenkomst,
   jij en Aäron, je broer,

en voor hun ogen
   zult ge dan spreken tot de rots,
   prijsgeven zal die iets van zijn water;

naar buiten brengen zul jij voor hen
water uit de rots
en laten drinken:
   de samenkomst én hun beestenspul!

9


Mozes neemt de staf mee
   van voor het aanschijn van de Ene,-

zoals die hem heeft geboden.

10


Dan vergaderen Mozes en Aäron
   de vergadering
   voor het aanschijn van de rots;

hij zegt tot hen:
hóórt dan toch, opstokers!-
moeten we uit deze rots
voor u water naar buiten brengen?

11


Dan steekt Mozes zijn hand op

en slaat tweemaal met zijn staf op de rots;
in overvloed tijgen er waterstromen uit
zodat de samenkomst te drinken krijgt,
   en hun beestenspul.

••

12


Dan zegt de Ene

tot Mozes en tot Aäron:
omdat ge niet het vertrouwen hebt gehad
om mij heilig te houden
voor de ogen
   van de zonen Israëls,

daarom
zult gij deze vergadering niet doen komen
in het land dat ik hun heb gegeven;

13


dit zijn de Mee Meriva,- wateren van rebellie,

waar de zonen Israëls
   hebben gerebelleerd tegen de Ene,

terwijl hij zich daarin de Heilige betoonde!
••

14


Dan zendt Mozes vanuit Kadeesj,- heilighuis,
   boodschappers
   tot de koning van Edom:

zó heeft uw broeder Israël gezegd:
zelf hebt u weet van
alle moeite die ons heeft getroffen;

15


onze vaderen zijn afgedaald naar Egypte

en wij moesten vele dagen in Egypte zitten;
de Egyptenaren hebben ons kwaad gedaan,
   en onze vaderen;

16


wij schreeuwden het uit tot de Ene
   en hij hoorde onze stem,-

hij zond een bode
en leidde ons weg uit Egypte;
hier zijn wij nu, in Kadeesj,
de stad aan de rand van uw gebied;

17


laat ons toch oversteken, door uw land;

we zullen niet oversteken door veld
   of wijngaard

en geen water drinken uit een bron;
over de koningsweg zullen we gaan,
we zullen niet afwijken links of rechts
totdat we uw gebied zijn overgestoken!

18


Maar Edom zegt tot hem:

je steekt niet bij mij over!-
of ik trek met het zwaard uit je tegemoet!

19


Dan zeggen tot hem de zonen Israëls:

over de ézelbaan zullen we opklimmen,
en áls we van uw water drinken,
   ikzelf of mijn have,

zal ik de prijs die ervoor staat ook geven;
ik wil alleen maar
   -het is geen woord waard-
   te voet oversteken!

20


Maar hij zegt: je steekt níet over;

en Edom trekt uit, hem tegemoet,
met een overwicht aan manschap
   en een machtige hand.

21


Edom weigert

het Israël te gunnen
om over te steken door zijn gebied;
dus wijkt Israël voor hem uit.

22


Ze breken op van Kadeesj;

ze komen aan, de zonen Israëls,
   heel de samenkomst,
   bij Hor Hahar* Of: de berg Hor.,- de berg Barg.

23


De Ene zegt tot Mozes en tot Aäron
   op Hor Hahar,-

op de grens van het land Edom zegt hij:

24


Aäron zal worden toegevoegd
   bij zijn manschappen,

want hij zal niet komen in het land
dat ik aan de zonen Israëls heb gegeven,
omdat ge tegen mijn mond
   hebt gerebelleerd bij Mee Meriva.

25


Neem Aäron mee

en Elazar, zijn zoon;
laat ze Hor Hahar opklimmen;

26


trek Aäron zijn gewaden uit

en bekleed Elazar, zijn zoon, ermee;
dan zal Aäron worden toegevoegd
   bij zijn manschappen

en daar sterven.

27


Mozes doet

zoals de Ene heeft geboden,
   en ze beklimmen Hor Hahar

voor de ogen van heel de samenkomst.

28


Mozes trekt Aäron zijn gewaden uit,

bekleedt Elazar, zijn zoon, ermee,
en Aäron sterft daar, op de top van de berg;
dan daalt Mozes -en Elazar ook-
   néér van de berg.

29


Ze zien, heel de samenkomst,

dat Aäron is overleden;
ze bewenen Aäron dertig dagen lang,
heel het huis van Israël.
••