Instellingen

14


Dan zendt Mozes vanuit Kadeesj,- heilighuis,
   boodschappers
   tot de koning van Edom:

zó heeft uw broeder Israël gezegd:
zelf hebt u weet van
alle moeite die ons heeft getroffen;

15


onze vaderen zijn afgedaald naar Egypte

en wij moesten vele dagen in Egypte zitten;
de Egyptenaren hebben ons kwaad gedaan,
   en onze vaderen;

16


wij schreeuwden het uit tot de Ene
   en hij hoorde onze stem,-

hij zond een bode
en leidde ons weg uit Egypte;
hier zijn wij nu, in Kadeesj,
de stad aan de rand van uw gebied;

17


laat ons toch oversteken, door uw land;

we zullen niet oversteken door veld
   of wijngaard

en geen water drinken uit een bron;
over de koningsweg zullen we gaan,
we zullen niet afwijken links of rechts
totdat we uw gebied zijn overgestoken!

18


Maar Edom zegt tot hem:

je steekt niet bij mij over!-
of ik trek met het zwaard uit je tegemoet!

19


Dan zeggen tot hem de zonen Israëls:

over de ézelbaan zullen we opklimmen,
en áls we van uw water drinken,
   ikzelf of mijn have,

zal ik de prijs die ervoor staat ook geven;
ik wil alleen maar
   -het is geen woord waard-
   te voet oversteken!

20


Maar hij zegt: je steekt níet over;

en Edom trekt uit, hem tegemoet,
met een overwicht aan manschap
   en een machtige hand.

21


Edom weigert

het Israël te gunnen
om over te steken door zijn gebied;
dus wijkt Israël voor hem uit.