Instellingen

2


Er is geen water geweest
   voor de samenkomst;

en ze vergaderen
tegen Mozes en tegen Aäron.

3


De gemeente ruziet met Mozes;

ze zeggen wat ze te zeggen hebben:
ach waren we maar gesmoord
   toen onze broeders smoorden
   voor het aanschijn van de Ene!-

4


en waarom hebt ge de vergadering
   van de Ene laten komen

in deze woestijn!-
om daar te sterven?,
wijzelf en ons beestenspul?-

5


waarom hebt ge ons laten opklimmen
   uit Egypte

om ons te laten komen
in dit kwade oord?-
het is geen oord voor zaaizaad,
vijgenboom, wijnstok en granaatappel,-
en water om te drinken is er óók niet!

6


Dan komt Mozes -en Aäron ook-
   uit het aanschijn
   van de vergadering vandaan

naar de opening van de tent
   van samenkomst

en laten ze zich op hun aanschijn vallen;
dan laat de glorie van de Ene
   zich aan hen zien.

7


De Ene spreekt tot Mozes en zegt:

8


neem de staf

en vergader de samenkomst,
   jij en Aäron, je broer,

en voor hun ogen
   zult ge dan spreken tot de rots,
   prijsgeven zal die iets van zijn water;

naar buiten brengen zul jij voor hen
water uit de rots
en laten drinken:
   de samenkomst én hun beestenspul!

9


Mozes neemt de staf mee
   van voor het aanschijn van de Ene,-

zoals die hem heeft geboden.

10


Dan vergaderen Mozes en Aäron
   de vergadering
   voor het aanschijn van de rots;

hij zegt tot hen:
hóórt dan toch, opstokers!-
moeten we uit deze rots
voor u water naar buiten brengen?

11


Dan steekt Mozes zijn hand op

en slaat tweemaal met zijn staf op de rots;
in overvloed tijgen er waterstromen uit
zodat de samenkomst te drinken krijgt,
   en hun beestenspul.

••

12


Dan zegt de Ene

tot Mozes en tot Aäron:
omdat ge niet het vertrouwen hebt gehad
om mij heilig te houden
voor de ogen
   van de zonen Israëls,

daarom
zult gij deze vergadering niet doen komen
in het land dat ik hun heb gegeven;

13


dit zijn de Mee Meriva,- wateren van rebellie,

waar de zonen Israëls
   hebben gerebelleerd tegen de Ene,

terwijl hij zich daarin de Heilige betoonde!
••