Instellingen

10


Ze breken op, de zonen en dochters van Israël;

ze legeren zich in Ovot.

11


Ze breken op uit Ovot;

ze legeren zich
in Ijee Haävariem,-
   de ruïnes van de overstekers,

in de woestijn die ligt
   op het aanschijn van Moab

aan de kant van de opgang der zon.

12


Van daar af zijn ze opgebroken;

dan legeren ze zich in het beekdal
   van de Zered.

13


Van dáár af

zijn ze weer opgebroken;
ze legeren zich
aan de overzij van de Arnon
   die door de woestijn loopt,

die wegtrekt uit het grensgebied
   van de Amoriet;

want de Arnon is de grens van Moab
tussen Moab en de Amoriet.

14


Zodoende wordt er gezegd

in het boek van de oorlogen van de Ene:
‘(hij nam) Waheev in Soefa,
en de dalen van de Arnon;

15


ook de helling achter de dalen

die afbuigt tot aan de nederzetting Ar,-
en aanleunt tegen het gebied van Moab…’

16


Van daar af naar Beëer,- bron;

dat is de bron
waar de Ene tot Mozes heeft gezegd:
‘verzamel de gemeente,
dan geef ik hun water!’
••

17


Dán zingt Israël deze zang:

‘bruis op, bron!- en antwoordt haar:

18


bron

door vorsten gegraven,
graafwerk van de edelen uit de gemeente
   met een kerfstok, met hun leunstaf!’

Uit de woestijn (gaan ze) naar Matana.

19


Van Matana naar Nachaliël;

van Nachaliël naar Bamot.

20


Van Bamot

naar het heldal in het veld van Moab,
bij de top van de Pisga,
en dat spiedt over
   het aanschijn van de wildernis.

21


Dan zendt Israël boden uit

naar Sichon, koning van de Amoriet,
   om te zeggen:

22


ik wil oversteken door uw land,-

we zullen niet afbuigen
   door veld of wijngaard,

water uit een bron zullen we niet drinken;
over de weg van de koning zullen we gaan
totdat we uw gebied zijn overgestoken!

23


Maar Sichon heeft het Israël niet gegund

over te steken door zijn gebied;
Sichon verzamelt heel zijn manschap
en trekt uit,
Israël tegemoet de woestijn in,
en komt aan bij Jahats;
hij voert met Israël oorlog.

24


Israël verslaat hem
   met de mond van het zwaard,

en onterft zijn land vanaf de Arnon
tot aan Jabok, tot de zonen van Amon,-
want onneembaar
is het gebied van de zonen van Amon.

25


Dan neemt Israël

alle steden daar in
en zet Israël zich neer
   in alle steden van de Amoriet,

in Chesjbon en in al haar dochtersteden.

26


Want Chesjbon,-

de stad
van Sichon,
   de koning van de Amoriet was dat;

en hij is het die oorlog gevoerd heeft
met de koning van Moab, de eerdere,
en hem al zijn land
   uit de hand genomen heeft
   tot aan de Arnon.

27


Zodoende zeggen de spreuken:
   ‘komt naar Chesjbon!-

gebouwd en gegrondvest
   worde de stad van Sichon!

28


Want vuur trok weg van Chesjbon,

een vlam uit de veste van Sichon;
het verteerde de stede van Moab,
de heren van de hoogten langs de Arnon!

29


Wee jou, Moab,

verloren ben je, gemeenschap van Kemosj!-
hij moest zijn zonen als vluchtelingen
   en zijn dochters in gevangenschap

weggeven aan de koning van de Amoriet:
   Sichon.

30


We beschoten ze,-
   verloren ging Chesjbon tot aan Divon;

verwoestten alles tot aan Nofach
dat reikt tot aan Medeva!’

31


Zo zet Israël zich

in het land van de Amoriet!

32


Mozes zendt mensen uit
   om Jazeer te bespioneren,-

en ze verstrikken haar dochtersteden;
hij onterft de Amoriet
   die daar (zit).

33


Dan maken ze een wending en klimmen

de weg van de Basan op;
nu trekt Og, koning van de Basan, uit,
   hun tegemoet, hijzelf en heel zijn gemeente
   voor de slag bij Edreï.

34


De Ene zegt tot Mozes: vrees hem niet!,

want in jouw hand
heb ik gegeven:
   hem en heel zijn gemeente en zijn land;

doen zul je met hem
zoals je hebt gedaan
met Sichon, de koning van de Amoriet
die zetelde in Chesjbon!

35


Ze slaan hem, zijn zonen
   en heel zijn gemeente zo

dat er hem geen ontsnapte meer restte;
   ze beërven zijn land.