Instellingen

22


Nu ontbrandt de toorn van God

omdat hij meegaat,
en posteert zich
een engel van de Ene op de weg
   als satan, tegenstrever voor hem,

terwijl hij voortrijdt op zijn ezelin,
met twee van zijn jongens bij zich.

23


Dan ziet de ezelin de engel van de Ene
   geposteerd staan op de weg,

met zijn zwaard getrokken in zijn hand;
de ezelin buigt van de weg af
en gaat verder door het veld;
Bileam sláát de ezelin
om haar terug te laten buigen naar de weg.

24


Dan stelt de engel van de Ene zich op

in een holle goot tussen de wijngaarden:
een muur aan deze kant
   en een muur aan die kant.

25


De ezelin ziet de engel van de Ene,-

ze drukt zich tegen de wand
en drukt de voet van Bileam tegen de wand;
die voegt er aan toe met haar te slaan.

26


Dan voegt de engel van de Ene toe
   aan het doorkruisen

en stelt zich op op een plaats zo nauw
dat er geen uitweg is om af te buigen
   naar links of rechts.

27


Weer ziet de ezelin de engel van de Ene
   en gaat liggen, onder Bileam…

De toorn van Bileam ontbrandt
en hij slaat de ezelin met de stok.

28


De Ene opent de mond van de ezelin;

zij zegt tot Bileam: wat heb ik je gedaan
dat je me hebt geslagen,
nu al drie keer?

29


Bileam zegt tot de ezelin:

omdat je iets hebt uitgehaald met mij!-
ja, was er een zwaard in mijn hand,
dan had ik je nú afgemaakt!

30


De ezelin zegt tot Bileam:

ben ik niet je ezelin, waar je op hebt gereden
vanaf dat je bestaat tot op deze dag?-
is het in mijn zorgen ooit mijn zorg geweest
om je zóiets aan te doen?
Hij zegt: nee!

31


Dan ontbloot de Ene

Bileams ogen
en ziet hij
de engel van de Ene geposteerd staan
   op de weg

met een getrokken zwaard in zijn hand;
hij knielt neer en buigt, op zijn neusgaten.

32


De engel van de Ene zegt tot hem:

om wát wel
heb je je ezelin geslagen
nu al drie keer?-
zie, ík ben uitgetrokken als satan, tegenstrever,
want overijld is deze weg,- tegen mij in!-

33


toen zág de ezelin mij

en week uit voor mijn aanschijn
nu al drie keer;
was zij niet voor mijn aanschijn uitgeweken
ja, dan had ik nu zeker jóu vermoord
   en háár in leven gehouden!

34


Bileam zegt tot de engel van de Ene:
   gezondigd heb ik,

want ik heb niet beseft
dat u daar míj tegemoet geposteerd stond
   op de weg;

welnu, als het kwaad is in uw ogen
   keer ik (naar mij) terug!

35


De engel van de Ene zegt tot Bileam:

ga met de mannen mee,-
evenwel:
het woord dat ik tot je spreek,
   dát zul je spreken!

Dan gaat Bileam
   met de vorsten van Balak mee.