Instellingen

10


Dan ontsteekt de toorn van Balak
   tegen Bileam

en slaat hij zijn handpalmen ineen;
Balak zegt tot Bileam:
om mijn vijanden te hónen
   heb ik je geroepen,

en ziedaar, met zegening heb je gezégend,
deze drie malen!

11


Welnu, scheer je weg naar je eigen oord!-

ik heb toegezegd je met ere te vereren,
maar ziedaar,
   de Ene heeft je verre gehouden van eer!

12


Bileam zegt tot Balak:

heb ik niet
ook tot uw boden die u tot mij zond
   gesproken en gezegd:

13


‘al geeft Balak mij zijn huis vol

met zilver en goud,-
ik zal niet bij machte zijn
om de mond van de Ene te doorkruisen
door iets te doen, goed of kwaad,
   uit mijn eigen hart;

wat de Ene spreekt, dát zal ik spreken!’

14


Welnu,

hier ben ik,
   ik zal gaan naar mijn gemeenschap;

ga mee en ik zal u raad geven
wat deze gemeenschap
   aan uw gemeenschap zal doen
   in het laatste der dagen!

15


Hij heft zijn spreuk aan en zegt:

tijding van Bileam, zoon van Beor,
tijding van de kerel met het geopende oog;

16


tijding

van één die hoort de gezegden Gods,
die weet wat te weten is
   van hem-in-den-hoge;

die de aanschouwing van de Geweldige
   schouwt,

neervallend met de ogen ontbloot:

17


ik zie hem maar niet nú,

ik bespeur hem maar niet nabij:
een weg baant zich een ster uit Jakob,
opgestaan is een stamstaf uit Israël;
hij heeft de slapen van Moab versplinterd,
doorboord alle zonen van Set;

18


geworden is Edom tot erfgoed,

geworden tot erfgoed is Seïr,-
   eens zijn vijanden;

terwijl Israël kracht betoont;

19


er heerst er één uit Jakob,-

die wat ontsnapt uit de stad doet teloorgaan!