Instellingen

1


Israël zet zich neer in Sjitiem,- acaciaweide;

dan begint de gemeente
te hoereren bij de dochters van Moab.

2


Die roepen de gemeente

tot de offermalen van hun goden;
dan éét de gemeente
en buigen ze voor hún goden.

3


Zo laat Israël zich inspannen voor Baäl Peor;

dan ontbrandt tegen Israël
   de toorn van de Ene.

4


De Ene zegt tot Mozes:

neem alle hoofden van de gemeente
en hang ze in de volle zon op voor de Ene;
dan zal het branden van
   de toorn van de Ene
   zich van Israël afkeren!

5


Mozes zegt

tot Israëls rechters:
brengt ze om, per man de mannen van hem
die zich lieten inspannen voor Baäl Peor!

6


En ziedaar,

een man uit de zonen Israëls is aangekomen
en doet de Midjanitische naderen
   tot zijn broeders,

voor de ogen van Mozes
en voor de ogen van heel de samenkomst
   der zonen Israëls;

die wenen!,
bij de ingang van de tent van samenkomst.

7


Dat ziet

Pinchas, zoon van Elazar,
zoon van Aäron de priester;
hij staat uit de samenkomst op
en neemt een lans in zijn hand;

8


hij komt de Israël-man achterna
   in het kamertje

en doorsteekt ze alletwee,
de man uit Israël
en de vrouw, in haar kamertje;
dan komt de plaag over de zonen Israëls
tot stilstand.

9


Het worden er,

die door de plaag sterven:
vierentwintigduizend!

10


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

11


Pinchas, zoon van Elazar,
   zoon van Aäron de priester,

heeft mijn woede
   over de zonen Israëls gekéérd

doordat hij met míjn ijvergloed
   onder hen heeft geijverd;

en ik niet in mijn naijver
   een einde heb hoeven maken
   aan de zonen Israëls.

12


Daarom, zeg ik:

hier ben ik,
   ik geef hem mijn verbond van vrede!

13


Wezen zal dat voor hem
   en voor zijn zaad na hem

een verbond om priester te zijn voor eeuwig,-
als loon daarvoor
dat hij geijverd heeft voor zijn God
en zo over de zonen Israëls
   verzoening heeft gevraagd!

14


De naam van de doodgeslagen Israël-man

die is doodgeslagen bij de Midjanitische
is Zimri, zoon van Saloe,
verhevene van een vaderhuis
   bij de Simeoniet.

15


De naam van de vrouw
   die is doodgeslagen,
   de Midjanitische,
   is Kozbi, dochter van Tsoer;-

stammenhoofd van een vaderhuis
   in Midjan was hij.

16


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

17


drijf de Midjanieten in het nauw;

verslaan zult ge ze!

18


Want benauwers zijn zij voor u

met die listen van hen waarmee ze voor u
   vanwege Peor arglistig zijn geweest;

en vanwege
Kozbi, de dochter van een verhevene
   uit Midjan,
   een zuster van hen,

die is verslagen op de dag van de plaag
   vanwege Peor.