Instellingen

17


Zo zijn dit de zonen van Levi
   met hun namen:

Gersjon,
Kehat en Merari.

18


En dit de namen van de zonen Gersjon
   naar hun families:

Livni en Sjimi.

19


En de zonen van Kehat naar hun families:

Amram en Jitshar,
Hebron en Oeziël.

20


De zonen van Merari naar hun families:

Machli en Moesji;
dat zijn de families van de Levi’s
   per huis van één vader.

21


Bij Gersjon horen

de familie van de Livni’s
en de familie van de Sjimi’s;
dezen, zíj zijn de families van de Gersjons.

22


Ingelijfd bij hen door telling
   van al wat mannelijk is

van een maand oud en daarboven,-
ingelijfd bij hen zijn
zeven duizendtallen en vijf honderdtallen.

23


De families van de Gersjoenieten:

áchter de woning legeren die, zeewaarts.

24


Vaandrig van het huis-van-één-vader
   bij de Gersjoenieten is

Eljasaf, zoon van Laël.

25


Het wachtwerk van de zonen Gersjon
   in de tent van samenkomst

betreft de woning en de tent,
zijn dekkleed,
en de huif
over de ingang van de tent van samenkomst;

26


ook de zeilen van de voorhof

en de huif over de ingang van de voorhof
om de woning en het altaar;
en de touwen daarbij
voor alle dienstwerk daarin.

27


En bij Kehat horen

de familie van de Amramieten
   en de familie van de Jitsharieten,

de familie van de Hebronieten
en de familie van de Oziëlieten;
dezen, zíj zijn de families van de Kehatieten.

28


In een telling van al wat mannelijk is

van een maand oud en daarboven zijn er:
acht duizendtallen en zes honderdtallen,
wakers in de wachtdienst van het heiligdom.

29


De families van de zonen Kehat legeren:

tegen een ‘heup’ van de woning,
   aan de zuidkant.

30


Vaandrig van het huis-van-één-vader
   voor de families der Kehatieten is

Elitsafan, zoon van Oeziël.

31


Waarover zij waken,
   dat is de ark, de tafel, de kandelaar,
   de altaren

en het gerei van het heiligdom
waarmee zij terzijde staan;
en de voorhang
en al wat daarbij dient.

32


Vaandrig over de vaandrigs
   van de Levieten is

Elazar, zoon van Aäron de priester;
met een aanstelling
over de wakers in de wachtdienst
   van het heiligdom.

33


Bij Merari horen

de familie van de Machli’s en
de familie van de Moesji’s;
dezen, zíj zijn de families Merari.

34


Ingelijfd bij hen bij telling
   van al wat mannelijk is

van een maand oud en daarboven zijn
zes duizendtallen en een dubbelhonderd.

35


Vaandrig over het huis-van-één-vader
   voor de familie Merari is

Tsoeriël, zoon van Avichajil;
tegen de andere ‘heup’ van de woning
   legeren zij,
   aan de noordkant.

36


Opgedragen om te bewaken

aan de zonen van Merari zijn
de stijlen van de woning,
zijn dwarsbalken, masten en sokkels;
al zijn gereedschappen
   en al wat daarbij dient;

37


de masten van de voorhof in het rond
   en hun sokkels;

de pinnen en de touwen daarbij.

38


Die zich legeren voor het aanschijn
   van de woning,

aan de oostkant, voor het aanschijn
   van de tent van samenkomst
   aan de dageraadszijde,- dat zijn Mozes
   en Aäron, met zijn zonen,

als wakers in de wachtdienst
   van het heiligdom

om te waken over de zonen Israëls:
de onbevoegde die te na komt
   zal worden gedood!

39


Het totaal aan ingelijfden bij de Levieten
   die Mozes
   -met Aäron!-

op mond van de Ene heeft ingelijfd,
   is, naar hun families,

al wat mannelijk is van een maand oud
   en daarboven,

tweeëntwintigduizend.
••