Instellingen

1


Vee is er in overvloed

geweest
bij de zonen van Ruben
   en bij de zonen van Gad,
   machtig veel;

ze zien
het land Jazeer en het land Gilead aan,
en zie, dat oord is een oord voor vee!

2


De zonen van Gad
   en de zonen van Ruben komen aan

en zeggen tot Mozes, tot Elazar de priester
en tot de verhevenen van de samenkomst,-
   ze zeggen:

3


Atarot, Divon, Jazeer en Nimra,

Chesjbon, en Elalee,-
Sevam, Nebo en Beon,-

4


het land

dat de Ene voor het aanschijn
   van Israëls samenkomst,
   heeft verslagen,-

een land voor vee is dat:
en uw dienaren hébben vee!
••

5


Ze zeggen:

áls we genade gevonden hebben
   in uw ogen,

worde dan aan uw dienaren
dít land in eigendom gegeven;
doe ons de Jordaan niet oversteken!

6


Dan zegt Mozes

tot de zonen van Gad
   en de zonen van Ruben:

uw broeders
komen aan ten oorlog
en gíj wilt u hier neerzetten?

7


Waarom weerhoudt ge

het hart van de zonen Israëls ervan
over te steken naar het land
dat de Ene aan hen heeft gegeven?

8


Zo hebben uw vaderen ook gedaan,-

toen ik hen vanuit Kadeesj Barnea uitzond
   om het land te bezien:

9


ze klommen omhoog

tot aan het dal van de druiventros,
zagen het land aan
en weerhielden toen
het hart van de zonen Israëls ervan
te komen in het land
dat de Ene aan hen had gegeven;

10


toen ontstak de toorn van de Ene,
   op die dag,-

en hij zwoer bij zichzelf en zei:

11


áls de mannen die uit Egypte
   zijn opgeklommen

-van twintig jaar en daarboven-
de –rode– grond* Zie de voetnoot bij Numeri 5,6.
die ik aan Abraham, Isaak en Jakob
   heb toegezworen
   ooit krijgen te zien!

Want ze hebben niet ten volle
   achter mij gestaan!-

12


behalve

Kaleb de zoon van Jefoenee de Keniziet,
en Jozua de zoon van Noen!-
want zij zijn volledig blijven staan
   achter de Ene!-

13


toen ontstak de toorn van de Ene
   tegen Israël

en liet hij ze dwalen in de woestijn,
veertig jaar lang;
totdat heel deze generatie ten einde was
die gedaan had wat kwaad is in de ogen van
   de Ene;

14


en ziedaar, nu zijt gij opgestaan

op de plek van uw vaders,-
een gebroed
   van steeds weer zondigende mannen,-

om nog toe te voegen
aan de gloed van de toorn van de Ene
   tegen Israël;

15


want keert ge van achter hem om,

dan zal hij aan het legeren in de woestijn
nog eens toevoegen!-
ge zult verderf brengen
   over heel deze gemeente!

••

16


Ze treden nader tot hem en zeggen:

we willen weliswaar kooien
   voor wolvee hier bouwen
   voor ons vee,-

en steden voor ons kroost,

17


maar zelf willen we ons aangorden
   als stormtroepen

voor het aanschijn van de zonen Israëls uit
totdat we hen hebben doen komen
   in het oord voor hen bestemd;

ons kroost kan zich dan neerzetten
   in versterkte steden

op afstand van het aanschijn
   van de ingezetenen des lands.

18


Wij zullen niet terugkeren naar onze huizen

totdat
de zonen Israëls
zich per man zijn erfdeel deelachtig
   hebben gemaakt;

19


want we hoeven niet met hen te delen

aan de overzijde van de Jordaan
   en verderop;

want ons erfdeel is al tot ons gekomen
op de oostelijke overzij van de Jordaan!

20


Dan zegt Mozes tot hen:

als ge dit woord doet,-
als ge u ten oorlog aangordt
   voor het aanschijn van de Ene

21


en iedere aangegorde bij u
   de Jordaan is overgestoken
   voor het aanschijn van de Ene,-

totdat hij zijn vijanden onterfd heeft
   weg van zijn aanschijn,

22


en het land onderworpen is
   aan het aanschijn van de Ene,
   en ge dáárna terugkeert,

dán zult ge vrij wezen van uw verplichting
   jegens de Ene en Israël;

en dit land zal u ten eigendom wezen,
   voor het aanschijn van de Ene.

23


Maar als ge niet alzo doet,

zie, zondigen zult ge tegen de Ene;
weet dan van uw zonde
dat die u zal terugvinden;

24


bouwt u dus steden voor uw kroost

en kooien voor uw wolvee,-
maar wat uit uw mond getogen is, doet dat!

25


Men zegt,-
   de zonen van Gad en de zonen van Ruben,

tot Mozes,- ze zeggen:
uw dienaars zullen doen
zoals mijn heer gebiedt:

26


ons kroost, onze vrouwen,

onze levende have, ál ons vee,-
ze zullen dáár zijn,
   in de steden van de Gilead,

27


en uw dienaren zullen oversteken,
   al wie ter strijdschaar is aangegord
   voor het aanschijn van
   de Ene,- ten oorlog;

zoals mijn heer heeft gesproken!

28


Dan gebiedt Mozes met betrekking tot hen

aan Elazar de priester
en Jozua de zoon van Noen,-
en de hoofden van de stamvaders
   bij de zonen Israëls,

29


en zegt Mozes tot hen:

als de zonen Gad en de zonen Ruben
   met u de Jordaan oversteken,

elk aangegord ten oorlog
   voor het aanschijn van de Ene

en het land onderworpen is
   aan uw aanschijn,

hún zult ge dan het land van de Gilead
   tot eigendom geven;

30


maar als ze niet aangegord
   mét u oversteken,

laten ze dan maar eigen grond bij u zoeken
   in het land van Kanaän!