gebied de zonen en dochters van Israël en zeg tot hen: wanneer ge aankomt in het land van Kanaän, dan is dít het land dat u als erfgoed ten deel zal vallen, het land Kanaän binnen zijn hier volgende grenzen:
3
worden zal voor u de zuiderzoom bij de woestijn Tsien, pal voor de handen van Edom; beginnen* Letterlijk: wezen. zal voor u de zuidelijke grens oostwaarts bij de rand van de Zoutzee.
4
Draaien zal de grenslijn voor u in het zuiden naar de Schorpioenhelling en oversteken naar Tsien en reiken* Letterlijk: wezen. zal hij met zijn uitlopers tot ten zuiden van Kadeesj Barnea; wegtrekken zal hij naar Chatsar Adar en oversteken naar Atsmon.
5
Draaien zal de grens van Atsmon naar het beekdal van Egypte; zijn uitlopers zullen reiken* Letterlijk: wezen. tot de zee.
6
De grens aan de zeekant, wezen zal dat voor u de Grote Zee, die grens; die zal voor u de grens aan de zeekant wezen.
7
En dit zal voor u de grens in het noorden worden: vanaf de Grote Zee richt ge u op Hor Hahar.
8
Vanaf Hor Hahar, richt ge u op aankomen in Chamat; reiken* Letterlijk: wezen. zullen de uitlopers van de grens tot Tsedad.
9
Wegtrekken zal de grens dan naar Zifron en zijn uitlopers zullen reiken tot Chatsar Enan; dat zal voor u de grens in het noorden worden.
10
Richten zult ge u dan voor de grens in het oosten: van Chatsar Enan naar Sjefam.
11
Dalen zal de grens van Sjefam naar Rivla, ten oosten van Ajin; dalen zal de grens en doodlopen op de oostelijke schouder van de Zee van Kineret.
12
Nederdalen zal de grens naar de Jordaan,- nederdaling, en z’n uitlopers zullen reiken* Letterlijk: wezen. tot de Zoutzee. Dit zal voor u het land worden naar zijn grenzen rondom!