Instellingen

9


Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt:

10


spreek tot de zonen en dochters van Israël,

en zeg tot hen:
eenmaal de Jordaan overgestoken
   naar het land Kanaän

11


zult ge u steden kiezen,-

steden voor asiel zullen ze voor u wezen;
vluchten zal daarheen iemand
   die doodslag heeft begaan,

een die zonder opzet
   een ziel heeft neergeslagen.

12


Deze steden zullen er voor u wezen
   als asiel tegen een inlosser:

dan sterft de doodslager niet
voordat hij gestaan heeft
   voor het aanschijn van de samenkomst
   ter berechting.

13


De steden die ge daarvoor moet geven:

zés asielsteden zullen er voor u wezen;

14


drie van de steden

zult ge weggeven aan de óverzij
   van de Jordaan

en drie van de steden
zult ge geven in het land Kanaän zelf;
asielsteden zullen zij wezen.

15


Voor de zonen en dochters van Israël

en voor de zwerver en de bijwoner onder hen
zullen deze zes steden er wezen voor asiel,-
dat daarheen zal vluchten
al wie zonder opzet
   een ziel heeft neergeslagen.

16


Maar als hij hem met een ding van ijzer
   heeft geslagen
   en hij sterft,
   dan is hij een doodslager:

ter dood gebracht worden zal hij,
   de doodslager.

17


En indien hij

met een steen in de hand
   -waardoor men sterven kan-

hem zo heeft geslagen dat hij sterft,
   dan is hij een doodslager;

ter dood gebracht zal hij worden,
   de doodslager.

18


Of heeft hij

met een ding van hout in de hand
   -waardoor men sterven kan-
   hem zo geslagen dat hij sterft,
   dan is hij een doodslager;

ter dood gebracht zal hij worden,
   de doodslager.

19


Hij die het bloed moet inlossen,

alleen híj mag de doodslager doden;
stuit hij op hem, dan mag híj hem doden.

20


Als hij in haat iemand heeft neergestoten,-

of iets naar hem heeft gegooid
   met voorbedachten rade
   zodat hij sterft,

21


of in vijandschap heeft hij

met de blote hand iemand zo geslagen
   dat hij sterft,

ter dood gebracht worden zal hij die zo sloeg,
   een doodslager is hij;

de inlosser van het bloed
mag de doodslager doden
   zodra hij op hem stuit.

22


Maar als hij in een onbewaakt ogenblik,
   en niet in vijandschap,
   iemand heeft neergestoten,-

of welk ding dan ook
   naar hem heeft gegooid
   zonder voorbedachten rade,

23


of met een of andere steen
   waardoor men kan sterven
   zonder dat het was te voorzien,

maar hij liet die vallen op iemand
   en die stierf,

en hij was geen vijand van hem
en zocht zijn kwaad niet,-

24


rechtspreken zullen ze dan, de samenkomst,

tussen hem die geslagen heeft en
wie het bloed moet inlossen,-
op grond van deze rechtsregels.

25


Zij van de samenkomst zullen dan
   de doodslager ontrukken

aan de hand
van wie het bloed moet inlossen;
zij van de samenkomst
   zullen hem doen terugkeren

naar de asielstad waarheen hij was gevlucht;
daarin zal hij zich neerzetten
tot de dood van de hogepriester
die men gezalfd heeft
   met de olie van het heiligdom.

26


Als de doodslager erop uittrekt

en het gebied van zijn asielstad uitgaat
waarheen hij was gevlucht,-

27


zal de losser van het bloed hem vinden

buíten
het gebied van zijn asielstad,-
en zal
de losser van het bloed
   de doodslager doodslaan,

dan is dat voor hem géén bloedschuld.

28


Want in de stad waar hij asiel heeft
   moet hij zich neerzetten

tot de dood van de hogepriester;
en pas ná de dood van de hogepriester
mag de doodslager terugkeren
naar het land waar zijn eigendom is.

29


Wezen zullen deze geboden voor u
   een inzetting van recht
   voor al uw generaties,-

overal waar ge u zult neerzetten.

30


Al wie een levende ziel neerslaat

naar zeggen van getuigen:
men mag de doodslager doodslaan;
maar één enkele getuige
kan niet zoveel verklaren
   tegen een levende ziel
   dat die zou moeten sterven.

31


Ge zult geen zoenoffer aannemen
   voor de ziel van een doodslager

die een boosdoener ten dode is;
nee, hij zal ter dood worden gebracht.

32


Ge zult geen zoenoffer aannemen

voor iemand die vlucht
   naar zijn asielstad,-

om terug te keren en
   zich neer te zetten in het land

vóór de dood van de priester.

33


Ge zult het land niet laten vervuilen

waarop ge woont,
want het bloed,
dát bevuilt het land,-
en voor het land
   is géén verzoening te verkrijgen

voor bloed dat daarop vergoten wordt
dan door het bloed
   van wie het vergoten heeft.

34


Je zult het land niet besmetten

waarop ge u neerzet,
in welks midden ik woning houd;
want ik, de Ene,
woon
te midden van de zonen en dochters van Israël.