Instellingen

5


De Ene spreekt tot Mozes en zegt:

6


neem de Levieten apart

uit het midden van de zonen Israëls:
reinigen moet je hen!

7


Zó zul je aan hen doen om hen te reinigen:

sprenkel over hen water ter ontzondiging;
laten ze een scheermes
   over heel hun lichaam* Letterlijk: al hun vlees. halen,

hun gewaden wassen en zich zo reinigen.

8


Laten ze dan nemen: een var,
   een runderjong,

en de broodgift die daarbij hoort:
volkorenmeel gemengd met olijfolie;
een tweede var, een runderzoon,
   zul je nemen als ontzondigingsgave.

9


Doen naderen zul je de Levieten

tot het aanschijn
   van de tent van samenkomst;

bijeenroepen zul je
heel de samenkomst van de zonen Israëls.

10


Doen naderen zul je de Levieten

tot het aanschijn van de Ene;
de zonen Israëls zullen met hun handen
   steunen op de Levieten.

11


Heen en weer bewegen zal Aäron
   de Levieten
   in een wiegen
   voor het aanschijn van de Ene

namens de zonen Israëls:
wezen zullen ze
om dienst te doen in het dienstwerk
   van de Ene.

12


De Levieten zullen dan
   met hun handen steunen

op de kop van de varren;
maak de één klaar als ontzondigingsgave
en de ander als opgangsgave voor de Ene,
om verzoening te vragen over de Levieten.

13


Opstellen zul je de Levieten dan

voor het aanschijn van Aäron
   en voor het aanschijn van zijn zonen;

heen en weer bewegen zul je hen
   in een wiegen
   voor de Ene.

14


Afscheiden zul je de Levieten zo

uit de zonen Israëls:
voor míj zullen ze wezen, de Levieten!

15


Daarna kunnen de Levieten binnenkomen

om de tent van samenkomst te dienen,-
als je ze hebt gereinigd
en ze hebt bewogen in het wiegen.

16


Want weggegeven,
   prijsgegeven zijn zij aan mij

uit het midden van de zonen Israëls;
in de plaats van elke moederschootsplijter,
   elke eersteling uit de zonen Israëls,

heb ik hén voor mij apart genomen.

17


Want voor míj is elke eersteling
   bij de zonen Israëls,

bij mens en dier;
op de dag
dat ik in het land Egypte elke eersteling sloeg
heb ik hén geheiligd voor mij.

18


En nu neem ik de Levieten aan,

in plaats van elke eersteling
   bij de zonen Israëls.

19


En ik geef de Levieten
   als gaven aan Aäron en zijn zonen

vanuit het midden van
de zonen Israëls,
om dienst te doen
in het dienstwerk van de zonen Israëls
   in de tent van samenkomst,

en om verzoening te vragen
   over de zonen Israëls;

zodat er bij de zonen Israëls
   geen plaag zal wezen

wanneer de zonen Israëls
   aantreden in het heiligdom!