| 1 | Als op die dag Jezus het huis uit komt en bij de zee is gaan zitten
| |
| 2 | verzamelen zich bij hem zo vele scharen dat hij om te zitten in een boot stapt,- heel de schare heeft op de oever gestaan.
| |
| 3 | Hij spreekt tot hen vele dingen uit in zinnebeelden; hij zegt: zie, de zaaier is uitgegaan om te zaaien;
| |
| 4 | en terwijl hij zaait vallen er (zaden) langs de weg, en de vogels komen en eten ze op;
| |
| 5 | andere vallen op de rotsbodem, waar ze niet veel aarde hebben, en meteen komen ze op omdat ze geen diepte van aarde hebben;
| |
| 6 | maar als de zon opkomt verschroeien ze, en doordat ze geen wortel hebben drogen ze uit;
| |
| 7 | andere vallen op de dorens; de dorens komen op en verstikken ze;
| |
| 8 | maar weer andere vallen op de góede aarde en geven hun vrucht af: deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig;
| |
| 9 | wie oren heeft moet horen!
| |
| 10 | Zijn leerlingen komen tot hem en zeggen tot hem: waarom spreekt u tot hen in zinnebeelden?
| |
| 11 | En ten antwoord zegt hij: omdat het u gegeven is de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen te kénnen, maar hún is dat niet gegeven;
| |
| 12 | want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloed ontvangen; maar wie niets heeft, ook wát hij heeft zal van hem worden weggehaald;
| |
| 13 | daarom spreek ik tot hen in zinnebeelden, omdat ze kijkend niet kijken en horend niet horen en niet verstaan;
| |
| 14 | aan hen gaat in vervulling de profetie van Jesaja, welke zegt ‘hoort met gehoor en verstaat niet, kijkt en kijkt en ziet niet;
| |
| 15 | want vervet is het hart van deze gemeente, met hun oren horen ze zwaar en hun ogen houden ze dicht,- zodat ze nooit zien met de ogen, horen met de oren, verstaan met het hart en zich omkeren, en ik hen zou helen (Jes. 6,9-10);
| |
| 16 | maar zalig uw ogen omdat zij kijken, en uw oren omdat zij horen;
| |
| 17 |
amen is het, ik zeg u: dat vele profeten en rechtvaardigen ernaar verlangd hebben te zien wat gij bekijkt, en niet hebben gezien, en te horen wat gij hoort en niet hebben gehoord; | |
| 18 | gíj dus, hóórt het zinnebeeld van de zaaier;
| |
| 19 | bij al wie het woord van het koninkrijk hoort en niet verstaat, komt de boze en rooft wat gezaaid is in zijn hart; dat is hij die langs de weg gezaaid is;
| |
| 20 | maar hij die op de rotsbodem gezaaid is dat is hij die het woord hoort en het meteen met vreugde aanneemt;
| |
| 21 | maar hij heeft geen wortel in zich, nee, hij is iemand van het moment; wanneer er een verdrukking woedt of een vervolging omwille van het woord, struikelt hij meteen;
| |
| 22 | hij die in de dorens is gezaaid, dat is hij die het woord hoort, en de zorg voor deze wereldtijd en het bedrog van de rijkdom verstikt het woord, en hij wordt vruchteloos;
| |
| 23 | maar die in de góede aarde is gezaaid, dat is hij die het woord hoort en het verstaat,- die dan ook vruchtdraagt en honderd-, zestig- en dertigvoudig aanmaakt!
| |
| 24 | Een ander zinnebeeld houdt hij hun voor; hij zegt: te vergelijken is het koninkrijk der hemelen met een mens die goed zaad zaait in zijn akker;
| |
| 25 | maar terwijl de mensen slapen komt zijn vijand; als hij ratelgras heeft gezaaid, midden tussen de tarwe, gaat hij weg;
| |
| 26 | wanneer het gewas uitspruit en vrucht maakt, dán verschijnt ook het ratelgras;
| |
| 27 | de dienaars van de huiseigenaar komen bij hem en zeggen: heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid; waarvandaan heeft hij dan ratelgras?-
| |
| 28 | hij brengt tot hen uit: een vijandig mens heeft dat gedaan!- de dienaars zeggen tot hem: wilt u dan dat we weggaan en het bijeenlezen?- maar hij brengt uit: nee,
| |
| 29 | anders zult ge bij het bijeenlezen van het ratelgras tegelijk daarmee de tarwe uitrukken;
| |
| 30 | laat allebei samen groeien tot aan de oogst; op het moment van de oogst zal ik tot wie oogsten zeggen: leest eerst het ratelgras bijeen en bindt het in bundels om het te verbranden, maar brengt de tarwe samen in mijn schuur!
| |