| 1 | Het geschiedt: wanneer Jezus deze toespraken voleindigd heeft, breekt hij op uit Galilea; hij komt de grenzen van Judea binnen, aan de overzij van de Jordaan.
| |
| 2 | Talrijke scharen volgen hem; en hij geneest hen daar.
| |
| 3 | Er komen Farizeeërs bij hem die hem op de proef stellen en zeggen: mag het, dat men zich losmaakt van z’n vrouw,- om allerlei oorzaak?
| |
| 4 | Maar hij zegt ten antwoord: onderkent ge niet dat de schepper van het begin af ‘hen mannelijk en vrouwelijk maakt’
(Gen. 1,27)
| |
| 5 | en zegt ‘daarom zal een mens vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen tot één vlees zijn’ (Gen. 2,24),-
| |
| 6 | zodat zij niet meer twéé zijn maar één vlees; wat God dus heeft verbonden mag een mens niet scheiden!
| |
| 7 | Ze zeggen tot hem: waarom heeft Mozes dan geboden ‘een akte* Letterlijk: boekje of brief. van afstand’ mee te geven en zich los te maken’? (Deut. 24,1)
| |
| 8 | Hij zegt tot hen: omdat Mozes om uw hartverharding u heeft toegestaan u van uw vrouwen los te maken; maar van het begin af is het niet zo geweest;
| |
| 9 | maar ik zeg u: wie zijn vrouw loslaat tenzij omwille van ontucht, en een andere huwt, pleegt overspel!
| |
| 10 | De leerlingen zeggen tot hem: als het zó staat met de zaak van de mens met de vrouw, heeft het geen zin om te huwen!
| |
| 11 | Maar hij zegt tot hen: niet állen kunnen dit woord bevatten,- alleen zij aan wie het is gegeven;
| |
| 12 | want er zijn ontmanden die zó uit de moederschoot gebaard zijn en er zijn ontmanden die ontmand zijn door de mensen, en er zijn ontmanden die zichzelf ontmand hebben vanwege het koninkrijk der hemelen: wie bij machte is het te vatten, die vatte het!
| |
| 13 | Dan brengen ze jongetjes bij hem opdat hij hun de handen op zal leggen en toebidden, maar de leerlingen wijzen hen bars af.
| |
| 14 | Maar Jezus zegt: laat die jongetjes toch, en verhindert ze niet om tot mij te komen, want van zodanigen is het koninkrijk der hemelen!
| |
| 15 | Hij legt hun de handen op en trekt verder, daarvandaan.
| |
| 16 | Ziedaar, er komt er één op hem af die zegt: leermeester, wát is het goede dat ik moet doen om eeuwigheidsleven te hebben?
| |
| 17 | Maar hij zegt tot hem: wat vraag je mij over wat* Of: wie. goed is?- één is er die goed is!- maar als je het wilt, binnenkomen in het leven,- houd de geboden!
| |
| 18 | Hij zegt tot hem: welke? Jezus verklaart: dit: ‘je zult niet moorden, geen overspel begaan, niet stelen, niet leugenachtig getuigen,
| |
| 19 | eer je vader en je moeder’ (Ex. 20,12; Deut. 5,16) en ‘liefhebben zul je je naaste, zoals jezelf’ (Lev. 19,18)!
| |
| 20 | De jongeling zegt tot hem: dat alles heb ik bewaakt van jongs af, waarin schiet ik tekort?
| |
| 21 | Jezus verklaart hem: als je het wilt: volmaakt zijn,- ga heen, verkoop je eigendommen en geef ze aan armen, en je zult een schat in (de) hemelen hebben; dan hierheen en volg mij!
| |
| 22 | Maar als de jongeman dit woord hoort gaat hij bedroefd weg; want hij is er een geweest die vele bezittingen had.
| |
| 23 | Jezus zegt tot zijn leerlingen:
amen is het, zeg ik u: een rijke zal moeilijk het koninkrijk der hemelen binnenkomen;
| |
| 24 | wéér zeg ik u: makkelijker komt een kameel binnen door het oog van een naald dan een rijke in het koninkrijk van God!
| |
| 25 | Bij het horen zijn de leerlingen zeer ontsteld geworden; ze zeggen: wie is er nog bij machte gered te worden?!
| |
| 26 | Maar Jezus kijkt hen aan en zegt tot hen: bij mensen is dat onmogelijk, maar ‘bij God zijn alle dingen mogelijk’
(Gen. 18,14)!
| |
| 27 | Dán antwoordt Petrus; hij zegt tot hem: zie, wíj hebben alles achtergelaten en zijn u gevolgd: wat zal er dan voor ons zijn?
| |
| 28 | Maar Jezus zegt tot hen:
amen is het, zeg ik u, dat gij die mij volgt, in de wedergeboorte -wanneer de mensenzoon zal zetelen op een troon van zijn glorie- ook zelf gezeten zult zijn op twaalf tronen,- oordelend over de twaalf stammen van Israël;
| |
| 29 | en ieder die achtergelaten heeft: huizen of broers of zussen, vader of moeder of kinderen of akkers omwille van mijn naam, zal veelvouden mogen aannemen en eeuwigheidsleven beërven;
| |
| 30 | maar vele eersten zullen laatsten zijn en laatsten eersten.
| |