Instellingen

17


Toen hij een weg op vertrok,

snelde er één toe,
en voor hem op de knieën vallend
heeft hij hem gevraagd: goede meester,
wat moet ik doen
om eeuwigheidsleven te beërven?

18


Maar Jezus zegt tot hem:

wat noem je mij goed?-
niemand is goed, behalve één: God;

19


de geboden weet je:

je zult niet moorden,
je zult geen overspel begaan,
je zult niet stelen,
je zult niet met leugens getuigen,
je zult niet beroven,
eer je vader en je moeder!

20


Maar hij brengt tot hem uit:

leermeester, al deze dingen heb ik bewaakt
van mijn jeugd af!

21


Jezus kijkt hem aan, krijgt hem lief

en zegt tot hem: één ding ontbreekt je;
ga heen, zoveel je hebt, verkoop het
en geef het aan de armen,
en je zult een schat in de hemel hebben;
dan hierheen: volg mij!

22


Maar bij dat woord wordt hij treurig

en bedroefd gaat hij weg,
want hij is iemand geweest
die vele bezittingen heeft.

23


Jezus kijkt rond

en zegt tot zijn leerlingen:
hoe moeilijk zullen
wie het nodige hebben
het koninkrijk van God binnenkomen!

24


De leerlingen

hebben zich verbaasd over zijn woorden.
Maar ten antwoord zegt Jezus
wéér tot hen: kinderen, hoe moeilijk is het om
in het koninkrijk van God binnen te komen!-

25


makkelijker is het dat een kameel

door het oog van de naald komt
dan dat een rijke binnenkomt
in het koninkrijk van God!

26


Maar zij zijn uitermate verslagen geworden

en zeggen bij zichzelf:
wie is bij machte te worden gered?

27


Jezus kijkt hen aan en zegt:

bij mensen is dat onmogelijk,
echter niet bij God; ‘alle dingen zijn immers
mogelijk bij God’ (Gen. 18,14)!

28


Petrus begint en zegt:

zie, wíj hébben alles losgelaten
en zíjn u gevolgd!…

29


Jezus brengt uit:


amen is het, zeg ik u,

er is niemand die huis of broers
of zussen of vader
of kinderen of akkers heeft losgelaten
omwille van mij
en omwille van de verkondiging,

30


die niet honderdvoudig,

nú, op dít moment, mag aannemen:
huizen en broeders en zusters
en moeders en kinderen en akkers,
naast vervolgingen,
en in de wereldtijd die komt:
eeuwigheidsleven;

31


maar vele eersten zullen laatsten zijn,

en de laatsten eersten!

32


Ze zijn onderweg geweest,

opklimmend naar Jeruzalem,
en Jezus is hun aanvoerder geweest;
zij hebben zich verbaasd,
en die hem volgden werden bevreesd.
Hij neemt de twaalf wéér bij (zich)
en begint met tot hen te zeggen
welke dingen nu bij hem gaan samenlopen:

33


zie, wij klimmen op naar Jeruzalem

en de mensenzoon zal worden overgegeven
aan de heiligdomsoversten
en de schriftgeleerden;
zij zullen hem ter dood veroordelen
en hem overgeven aan de volkeren* Of -het bekende-: ‘overleveren aan de heidenen’.;

34


die zullen hem bespotten en op hem spuwen;

ze zullen hem geselen en ter dood brengen,
en na drie dagen zal hij opstaan!