Instellingen

32


Ze zijn onderweg geweest,

opklimmend naar Jeruzalem,
en Jezus is hun aanvoerder geweest;
zij hebben zich verbaasd,
en die hem volgden werden bevreesd.
Hij neemt de twaalf wéér bij (zich)
en begint met tot hen te zeggen
welke dingen nu bij hem gaan samenlopen:

33


zie, wij klimmen op naar Jeruzalem

en de mensenzoon zal worden overgegeven
aan de heiligdomsoversten
en de schriftgeleerden;
zij zullen hem ter dood veroordelen
en hem overgeven aan de volkeren* Of -het bekende-: ‘overleveren aan de heidenen’.;

34


die zullen hem bespotten en op hem spuwen;

ze zullen hem geselen en ter dood brengen,
en na drie dagen zal hij opstaan!