Jakobus en Johannes, de twee zonen van Zebedeüs, benaderen hem en zeggen tot hem: leermeester, wat wij willen is dat u voor ons zult doen wat wij u gaan vragen!
En hij zegt tot hen: wat wilt ge dat ik voor u doen zal?
37
En zij zeggen tot hem: geef ons dat wij, één rechts van u en één links, mogen zetelen in uw glorie!
38
Maar Jezus zegt tot hen: ge weet niet wat ge vraagt!- zijt ge bij machte de drinkbeker te drinken die ík drink of gedoopt te worden met de doop waarmee ík gedoopt word?
39
Zij zeggen tot hem: wij zíjn bij machte! Maar Jezus zegt tot hen: de drinkbeker die ík drink zult ge drinken, en met de doop waarmee ík gedoopt word zult ge worden gedoopt,
40
maar het zetelen rechts van mij of links, is niet aan mij om weg te geven,- nee, dat is voor hen voor wie het is gereedgemaakt!
41
Als de tien dat horen beginnen zij boos te worden over Jakobus en Johannes.
42
Jezus roept hen naderbij en zegt tot hen: ge weet dat zij die denken te regeren over de volkeren hen overheersen en dat hun groten hun macht op hen botvieren;
43
zo is het niet bij u; nee, wie bij u groot wil worden, zal uw bediende zijn,
44
en al wie bij u een eerste wil zijn, zal aller dienstknecht zijn;
45
want ook de mensenzoon is niet gekomen om bediend te worden nee, om te bedienen en zijn lijf-en-ziel te geven als losprijs voor velen!