Instellingen

1


Dan vangt hij aan tot hen te spreken

in zinnebeelden:
een mens plant een wijngaard;
hij zet er een haag omheen,
graaft een persbak uit
en bouwt een wachttoren (Jes. 5,1-2);
hij geeft hem uit aan landbewerkers
en gaat buitenslands;

2


hij zendt, als het moment daar is,

tot de landbewerkers een dienaar
om bij de landbewerkers
(zijn deel) van de vruchten van de wijngaard
aan te nemen;

3


en ze nemen hem vast, mishandelen (hem)

en zenden (hem) ledig heen;

4


weer zendt hij tot hen

een andere dienaar;
en die geven ze op zijn kop en onteren ze;

5


een ander zendt hij;

en die doden ze, en vele anderen:
sommigen mishandelen ze,
sommigen doden ze;

6


nog één heeft hij er gehad:

een geliefde zoon;
hem zendt hij als laatste tot hen;
hij zegt: voor mijn zoon zullen ze zwichten!-

7


maar die landbewerkers

zeggen tot elkaar:
dat is de erfgenaam,-
hierheen, laten we hem doden,
en het erfgoed zal van ons zijn!-

8


ze nemen hem vast, brengen hem ter dood

en werpen hem weg, de wijngaard uit;

9


wat zal de heer van de wijngaard doen?-

hij zal komen,
de landbewerkers ombrengen
en de wijngaard aan anderen geven!-

10


kent ge niet dit Schriftwoord?-

‘de steen die de bouwers afkeurden,
die is tot hoofd van een hoek geworden;

11


van de Heer uit is zij dat geworden,

en het is wonderbaar in onze ogen!’

(Ps. 118,22-23)

12


Zij hebben ernaar gezocht

om hem te overmeesteren,
én zijn bevreesd voor de schare;
want ze herkennen
dat hij het zinnebeeld uitspreekt
(doelend) op hen.
Ze láten hem en gaan weg.

13


Dan zenden ze tot hem

enkelen van de Farizeeërs en de Herodianen,
om hem op een woord te vangen.

14


Die komen en zeggen tot hem:

leermeester, we weten
dat u waarachtig bent
en u over niets bekommert;
want u kijkt niet het aanschijn van mensen aan,
nee, u leert in waarachtigheid de weg van God;
is het geoorloofd
aan Caesar belasting af te geven, of niet?-
moeten wij afgeven of niet afgeven?

15


Maar hij beseft hun onderhuidse oordeel

en zegt tot hen:
waarom stelt ge mij op de proef?-
brengt me een dinar, ik wil hem zien!

16


Zij brengen er een. Hij zegt tot hen:

van wie is deze beeltenis en het opschrift?
Zij zeggen tot hem: van Caesar!

17


Dan zegt Jezus tot hen:

geeft aan Caesar af wat van Caesar is
en aan God wat van God is!
Ze hebben zich verwonderd over hem.

18


Er komen ook Sadduceeërs tot hem,

zij die zeggen dat er geen opstanding is,
en zij stellen hem een vraag en zeggen:

19


leermeester, Mozes heeft ons voorgeschreven:

als van iemand een broer sterft
en hij laat een vrouw achter
maar laat geen kind na,
dat diens broer de vrouw moet nemen
en een nazaat moet doen opstaan
voor zijn broer (Deut. 25,5; Gen. 38,8);

20


nu waren er eens zeven broers;

de eerste neemt een vrouw,
en als hij sterft laat hij geen nazaat na;

21


de tweede neemt haar,

en als hij sterft
laat hij ook geen nazaat achter;
de derde evenzo;

22


alle zeven laten ze geen nazaat na;

het laatst van allen sterft ook de vrouw;

23


in de opstanding, wanneer zij opstaan,

van wie van hen zal zij dan (de) vrouw zijn?-
want alle zeven hebben ze haar
als vrouw gehad!

24


Jezus brengt tot hen uit:

dwaalt ge niet?, daarom
dat ge van de Schriften geen weet hebt
en evenmin van de macht van God;

25


want wanneer zij uit (de) doden

zullen opstaan, huwen ze niet
en worden ze niet uitgehuwelijkt;
nee, zij zijn als engelen in de hemelen;

26


en omtrent de doden,-

dat zij worden opgewekt:
hebt ge in de boekrol van Mozes
bij de braamstruik niet gelezen
hoe God tot hem heeft gezegd
en (nog steeds) zegt:
ík ben de God van Abraham, God van Isaak
en God van Jakob (Ex. 3,2-6)!-

27


hij is niet een God van doden

maar van levenden;
ge dwaalt in véélvoud!

28


Dan komt

een van de schriftgeleerden naderbij;
hij heeft hen samen horen zoeken
en beseft dat hij hun fraai
zijn oordeel heeft gegeven;
hij stelt hem de vraag:
welk gebod is het eerste van alle?

29


Jezus oordeelt: het eerste is

‘hoor, Israël, de Heer is onze God,
de Heer is één;

30


liefhebben zul je de Heer, je God,

uit heel je hart, uit heel je ziel,
uit heel je verstand
en uit heel je kracht’ (Deut. 6,4-5)!