leermeester, Mozes heeft ons voorgeschreven: als van iemand een broer sterft en hij laat een vrouw achter maar laat geen kind na, dat diens broer de vrouw moet nemen en een nazaat moet doen opstaan voor zijn broer (Deut. 25,5; Gen. 38,8);
20
nu waren er eens zeven broers; de eerste neemt een vrouw, en als hij sterft laat hij geen nazaat na;
21
de tweede neemt haar, en als hij sterft laat hij ook geen nazaat achter; de derde evenzo;
22
alle zeven laten ze geen nazaat na; het laatst van allen sterft ook de vrouw;
23
in de opstanding, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij dan (de) vrouw zijn?- want alle zeven hebben ze haar als vrouw gehad!
24
Jezus brengt tot hen uit: dwaalt ge niet?, daarom dat ge van de Schriften geen weet hebt en evenmin van de macht van God;
25
want wanneer zij uit (de) doden zullen opstaan, huwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt; nee, zij zijn als engelen in de hemelen;
26
en omtrent de doden,- dat zij worden opgewekt: hebt ge in de boekrol van Mozes bij de braamstruik niet gelezen hoe God tot hem heeft gezegd en (nog steeds) zegt: ík ben de God van Abraham, God van Isaak en God van Jakob (Ex. 3,2-6)!-
27
hij is niet een God van doden maar van levenden; ge dwaalt in véélvoud!