Instellingen

18


Er komen ook Sadduceeërs tot hem,

zij die zeggen dat er geen opstanding is,
en zij stellen hem een vraag en zeggen:

19


leermeester, Mozes heeft ons voorgeschreven:

als van iemand een broer sterft
en hij laat een vrouw achter
maar laat geen kind na,
dat diens broer de vrouw moet nemen
en een nazaat moet doen opstaan
voor zijn broer (Deut. 25,5; Gen. 38,8);

20


nu waren er eens zeven broers;

de eerste neemt een vrouw,
en als hij sterft laat hij geen nazaat na;

21


de tweede neemt haar,

en als hij sterft
laat hij ook geen nazaat achter;
de derde evenzo;

22


alle zeven laten ze geen nazaat na;

het laatst van allen sterft ook de vrouw;

23


in de opstanding, wanneer zij opstaan,

van wie van hen zal zij dan (de) vrouw zijn?-
want alle zeven hebben ze haar
als vrouw gehad!

24


Jezus brengt tot hen uit:

dwaalt ge niet?, daarom
dat ge van de Schriften geen weet hebt
en evenmin van de macht van God;

25


want wanneer zij uit (de) doden

zullen opstaan, huwen ze niet
en worden ze niet uitgehuwelijkt;
nee, zij zijn als engelen in de hemelen;

26


en omtrent de doden,-

dat zij worden opgewekt:
hebt ge in de boekrol van Mozes
bij de braamstruik niet gelezen
hoe God tot hem heeft gezegd
en (nog steeds) zegt:
ík ben de God van Abraham, God van Isaak
en God van Jakob (Ex. 3,2-6)!-

27


hij is niet een God van doden

maar van levenden;
ge dwaalt in véélvoud!