| 28 | Dan komt een van de schriftgeleerden naderbij; hij heeft hen samen horen zoeken en beseft dat hij hun fraai zijn oordeel heeft gegeven; hij stelt hem de vraag: welk gebod is het eerste van alle?
| |
| 29 | Jezus oordeelt: het eerste is ‘hoor, Israël, de Heer is onze God, de Heer is één;
| |
| 30 | liefhebben zul je de Heer, je God, uit heel je hart, uit heel je ziel, uit heel je verstand en uit heel je kracht’ (Deut. 6,4-5)!
| |
| 31 | Tweede is dit: ‘liefhebben zul je je naaste als jezelf’ (Lev. 19,18)!- een ander gebod, groter dan deze, is er niet!
| |
| 32 | De schriftgeleerde zegt tot hem: fraai, leermeester!- het is wáár wat u zegt, dat hij Een is en dat er geen andere is buiten Hem;
| |
| 33 | en dat hem liefhebben uit heel je hart, uit heel je begrip en uit heel je kracht, en de naaste liefhebben als jezelf groter overvloed is dan alle brandoffers en rookoffers!
| |
| 34 | Jezus ziet aan hoe verstandig hij oordeelt, en zegt tot hem: je bent niet ver van het koninkrijk Gods! Toen heeft niemand het meer gewaagd hem een vraag te stellen.
| |
| 35 | Onderricht gevend in het heiligdom heeft Jezus als zijn oordeel gezegd: hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Gezalfde een zoon van David is?-
| |
| 36 | zelf heeft David door de heilige Geest gezegd: ‘de Heer heeft gezegd tot mijn heer: zetel aan mijn rechterhand, totdat ik je vijanden heb gelegd onder je voeten!’ (Ps. 110,1)–
| |
| 37 | zelf spreekt David als ‘heer’ van hem, hoe is hij dan zijn zoon? De talrijke schare heeft hem gaarne gehoord.
| |
| 38 | Ook heeft hij in zijn onderricht gezegd: kijkt u uit voor de schriftgeleerden wier wil het is in lange gewaden rond te lopen, met begroetingen op de markten,
| |
| 39 | vooraanzitten in de samenkomsten en vooraanliggen bij de maaltijden;
| |
| 40 | die de huizen van de weduwen opeten en als verontschuldiging langdurig bidden: zij zullen een overvloediger oordeel moeten aannemen!
| |
| 41 | Hij zet zich neer tegenover de schatbewaking en is gaan aanschouwen hoe de schare kopergeld in de schatbewaking werpt. Vele rijken hebben er veel ingeworpen.
| |
| 42 | Er is één weduwe, een arme, gekomen die er twee penningen heeft ingeworpen, dat is een duit.
| |
| 43 | Hij roept zijn leerlingen bijeen en zegt tot hen: amen, ik zeg u dat deze weduwe, die arm is, er meer heeft ingeworpen dan allen die iets in de schatbewaking wierpen;
| |
| 44 | want allen hebben er ingeworpen uit hun teveel, maar zij heeft uit haar tekort alles wat ze had ingeworpen,- heel haar levensonderhoud!
| |