wanneer ge ‘de gruwel der verwoesting’ (Dan. 12,11) ziet staan waar het niet moet -wie voorleest lette erop- laten dán die in Judea vluchten naar de bergen,
laat wie op het dak is niet afdalen en niet binnengaan om iets weg te halen uit zijn huis,
16
en laat wie op het veld is niet omkeren naar achter zich om zijn kleed op te halen;
17
wee haar die het in de schoot hebben en die zogen in die dagen;
18
bidt dat het niet ‘s winters geschiedt;
19
want die dagen zullen zijn ‘een verdrukking zodanig als er niet geschied is vanaf het begin der schepping’ (Dan. 12,1) die God geschapen heeft tot nu toe, en niet meer geschieden zal;
20
en als de Heer die dagen niet verkortte, zou alle vlees niet worden gered; nee, ter wille van de uitgelezenen die hij heeft uitgelezen heeft hij de dagen verkort;
21
en als dán iemand tot u zegt: zie, hier is de Gezalfde, zie daar!, gelooft het niet;
22
er zullen pseudogezalfden en pseudoprofeten ontwaken, en zij zullen tekenen en wonderen doen, om, als dat mogelijk is, de uitgelezenen tot dwaling te brengen;
23
gij, kijkt uit, ik heb u alles voorzegd!-
24
echter, in die dagen zal na die verdrukking ‘de zon worden verduisterd en de maan haar schijnsel niet geven’ (Jes. 13,10),
25
en ‘de sterren zullen uit de hemel vallen, en de machten in de hemelen zullen wankelen’ (Jes. 34,4),
26
en dán zullen ze zien ‘de mensenzoon, komend in wolken’ (Dan. 7,13) met een veelheid aan macht en heerlijkheid;
27
en dán zal hij de engelen uitzenden en zijn uitgelezenen ‘samenbrengen uit de vier windstreken, vanaf aardlands rand tot aan ’s hemels rand’ (Deut. 30,4);