en ‘de sterren zullen uit de hemel vallen, en de machten in de hemelen zullen wankelen’ (Jes. 34,4),
26
en dán zullen ze zien ‘de mensenzoon, komend in wolken’ (Dan. 7,13) met een veelheid aan macht en heerlijkheid;
27
en dán zal hij de engelen uitzenden en zijn uitgelezenen ‘samenbrengen uit de vier windstreken, vanaf aardlands rand tot aan ’s hemels rand’ (Deut. 30,4);
28
leert van de vijgenboom het zinnebeeld: wanneer haar hout al zacht wordt en de bladeren uitbotten, herkent ge daaraan dat de zomer nabij is;
29
zo ook gíj; wanneer ge ziet dat dit alles geschiedt,- herkent daaraan dat het nabij is, voor (de) deuren;
30
amen is het, zeg ik u, dat deze generatie niet voorbij zal gaan voordat dit alles is geschied;
31
de hemel en het aardland zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan!-
32
maar over die dag en het uur weet niemand iets, ook de engelen in de hemel niet en ook de Zoon niet,- alleen de Vader;