Instellingen

28


leert van de vijgenboom het zinnebeeld:

wanneer haar hout al zacht wordt
en de bladeren uitbotten,
herkent ge daaraan dat de zomer nabij is;

29


zo ook gíj; wanneer ge ziet

dat dit alles geschiedt,-
herkent daaraan
dat het nabij is,
voor (de) deuren;

30

amen is het, zeg ik u,
dat deze generatie niet voorbij zal gaan
voordat dit alles is geschied;

31


de hemel en het aardland

zullen voorbijgaan,
maar mijn woorden zullen niet
voorbijgaan!-

32


maar over die dag en het uur

weet niemand iets,
ook de engelen in de hemel niet
en ook de Zoon niet,-
alleen de Vader;

33


kijkt uit, vecht tegen de slaap,-

want ge weet niet
wanneer het moment daar is!-

34


het is als met een mens buitenslands:

hij laat zijn huis achter,
geeft zijn dienaren de volmacht,
aan ieder zijn werk
en de deurwachter gebiedt hij
om wakker te zijn;

35


blijft dan wakker,

want ge weet niet
wanneer de heer des huizes komt,
óf laat, óf middernacht, óf bij het hanengekraai
óf vroeg,-

36


opdat hij, als hij plotseling komt,

u niet slapende zal vinden;

37


maar wat ik tot ú zeg,

zeg ik tot allen: blijft wakker!