zo ook gíj; wanneer ge ziet dat dit alles geschiedt,- herkent daaraan dat het nabij is, voor (de) deuren;
30
amen is het, zeg ik u, dat deze generatie niet voorbij zal gaan voordat dit alles is geschied;
31
de hemel en het aardland zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan!-
32
maar over die dag en het uur weet niemand iets, ook de engelen in de hemel niet en ook de Zoon niet,- alleen de Vader;
33
kijkt uit, vecht tegen de slaap,- want ge weet niet wanneer het moment daar is!-
34
het is als met een mens buitenslands: hij laat zijn huis achter, geeft zijn dienaren de volmacht, aan ieder zijn werk en de deurwachter gebiedt hij om wakker te zijn;
35
blijft dan wakker, want ge weet niet wanneer de heer des huizes komt, óf laat, óf middernacht, óf bij het hanengekraai óf vroeg,-
36
opdat hij, als hij plotseling komt, u niet slapende zal vinden;
37
maar wat ik tot ú zeg, zeg ik tot allen: blijft wakker!