| 32 | Ze komen bij een stukje grond met de naam Getsemanee, en hij zegt tot zijn leerlingen: zit hier neer totdat ik heb gebeden!
| |
| 33 | Hij neemt Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee,- en begint verbaasd en angstig te worden;
| |
| 34 | hij zegt tot hen: mijn ziel is diepbedroefd, ten dode toe; blijft hier en blijft wakker!
| |
| 35 | Een klein (stukje) verdergegaan is hij ter aarde gevallen en heeft gebeden dat, als het mogelijk was, de ure aan hem voorbij zou gaan,
| |
| 36 | en hij heeft gezegd: Abba, Vader, alles is mogelijk voor u; draag deze drinkbeker van mij weg!- echter, niet wat ík wil, echt: wat gíj!…
| |
| 37 | Hij komt en vindt hen slapend, en hij zegt tot Petrus: Simon, je slaapt!- ben je niet sterk genoeg om één uur wakker te blijven?-
| |
| 38 | blijft wakker, en bidt dat ge niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak!
| |
| 39 | Hij gaat weg en bidt wéér; hij zegt diezelfde uitspraak.
| |
| 40 | Hij komt, en wéér vindt hij hen slapend, want hun ogen zijn bezwaard geweest, en ze weten niet wat ze hem moeten antwoorden.
| |
| 41 | Dan komt hij voor de derde keer, en zegt tot hen: jullie slapen maar door en rusten uit!- het is genoeg; de ure is gekomen, zie, de mensenzoon wordt overgegeven in de handen van de zondaars;
| |
| 42 | wordt wakker, laten we gaan!- zie, hij die mij overgeeft is genaderd!
| |
| 43 | En meteen, terwijl hij (dit) nog uitspreekt, treedt Judas aan, een van de twaalf, en met hem een schare met zwaarden en stokken, vanuit de heiligdomsoversten, de schriftgeleerden en de oudsten.
| |
| 44 | Die hem overgeeft heeft hun een teken gegeven; hij heeft gezegd: die ik zal kussen, die is het, grijpt hem en voert hem beveiligd weg!
| |
| 45 | Als hij komt, komt hij meteen op hem af, zegt: rabbi!, en kust hem.
| |
| 46 | En zij werpen de handen op hem en grijpen hem.
| |
| 47 | Maar zomaar één van hen die erbij staan trekt het zwaard, slaat op de dienaar van de heiligdomsoverste in en hakt hem de oorlel af.
| |
| 48 | Ten antwoord zegt Jezus tot hen: als tegen een rover zijt ge met zwaarden en stokken uitgetrokken om mij vast te nemen!-
| |
| 49 | dagelijks ben ik bij u geweest terwijl ik onderrichtte in het heiligdom en ge hebt me niet gegrepen; het is echter opdat de Schriften in vervulling gaan!
| |
| 50 | Toen lieten ze hem alleen en zijn allen gevlucht.
| |
| 51 | Zomaar een jongeman is hem blijven volgen, met een linnen over het naakte (lijf); die grijpen ze ook.
| |
| 52 | Maar hij laat het linnen achter en is naakt gevlucht.
| |