Meteen in de ochtendvroegte hebben de heiligdomsoversten met de oudsten en de schriftgeleerden, ook heel het sanhedrin, een raadsbesluit gereed; ze binden Jezus, brengen hem weg en geven hem over aan Pilatus.
Pilatus ondervraagt hem: u, bent u de koning van de Judeeërs? Maar hij zegt tot hem ten antwoord: ú zegt het!
3
De heiligdomsoversten hebben hem toen van vele dingen beschuldigd.
4
Maar wéér heeft Pilatus hem ondervraagd. Hij zegt: u antwoordt niets?- zie van hoeveel ze u beschuldigen!
5
Maar Jezus antwoordt hem met niets meer, tot verwondering van Pilatus.
6
Maar bij een feest heeft die hun altijd één gevangene vrijgelaten, en wel wie zij vroegen.
7
Maar de zo genoemde Barabbas heeft vastgezeten, bij de opstandelingen die tijdens de opstand een moord hadden begaan.
8
De schare klimt op en begint van hem te vragen wat hij altijd voor hen heeft gedaan.
9
Maar Pilatus antwoordt hun en zegt: wilt ge dat ik u de koning der Judeeërs loslaat?
10
Want hij heeft onderkend dat de heiligdomsoversten hem uit afgunst hebben overgegeven.
11
Maar de heiligdomsoversten stoken de schare op dat hij hun liever Barabbas moet loslaten.
12
Maar weer antwoordt Pilatus en hij heeft tot hen gezegd: wat moet ik dan doen met hem die gij de koning der Judeeërs noemt?
13
Zij schreeuwen wéér: kruisig hem!
14
Maar Pilatus heeft tot hen gezegd: maar welk kwaad heeft hij gedaan? Zij schreeuwen overluid: kruisig hem!
15
Pilatus is van zins om voor de schare te doen wat geschikt is en laat aan hen Barabbas los; Jezus laat hij geselen en geeft hij over om gekruisigd te worden.