Ze brengen hem op de plaats ‘Golgota’; vertaald is dat ‘schedelplaats’.
23
Ze hebben hem wijn met mirre gemengd gegeven, maar híj neemt er niet van.
24
Dan kruisigen ze hem, en ‘verdelen zijn kleren, werpen daarover een lot’ (Ps. 22,19), wie wát mag wegdragen.
25
Het is ‘derde uur’ geweest als ze hem kruisigen.
26
(In) het opschrift met zijn strafgrond is opgeschreven geweest: ‘de koning der Judeeërs’.
27
Samen met hem kruisigen ze twee rovers, één rechts en één links van hem.
28
Zo wordt het Schriftwoord vervuld dat zegt: hij wordt bij wettelozen gerekend (Jes. 53,12).
29
Die aan hem voorbijtrekken hebben hem belasterd; ‘ze schudden hun hoofden’ (Ps. 22,8) en zeiden: ach toch, jij die de tempel oplost en in drie dagen opbouwt,
30
red jezelf en daal af van het kruis!
31
Net zo ook de heiligdomsoversten; zij spotten tegen elkaar, met de schriftgeleerden, en hebben gezegd: anderen heeft hij gered, zichzelf redden vermag hij niet!-
32
de Gezalfde, de koning van Israël,- laat hij nu afdalen van het kruis, opdat wij zien en geloven! Ook die samen met hem gekruisigd zijn hebben hem beschimpt.