Zeer vroeg op de eerste van de week komen zij aan bij de gedenkplaats, bij het opgaan van de zon.
3
Ze hebben tot elkaar gezegd: wie zal voor ons de steen wegwentelen van de poort van de gedenkplaats?-
4
en nu ze opkijken aanschouwen ze dat hij is weggewenteld, de steen,- hoewel hij heel groot is geweest (Gen. 29,2).
5
Als ze de gedenkplaats binnenkomen zien ze aan de rechterkant een jongeman zitten, met een witte mantel omgeworpen, en ze zijn stomverbaasd.
6
Maar hij zegt tot hen: niet zo verbaasd!- ge zoekt Jezus, de Nazarener, die gekruisigd is?- hij is opgewekt, hij is niet hier; zie, dit is de plaats waar ze hem hebben gelegd;
7
nee, gaat heen, zegt aan zijn leerlingen en aan Petrus dat hij u voorgaat naar Galilea; daar zult ge hem zien, zoals hij u heeft gezegd!