en ze hielden hem (al) in de gaten of hij hem op een van de sabbatten zou genezen, zodat zij hem konden aanklagen.
3
Hij zegt tot de mens die de dorre hand heeft: waak op, naar het midden!
4
En hij zegt tot hen: mag dat, op de sabbatten goed doen?, of kwaad doen!- een lijf-en-ziel redden of doden? Maar zij hebben gezwegen.
5
Met toorn kijkt hij hen in het rond aan, bedroefd over de verharding van hun hart, en zegt tot die mens: strek je hand uit! Als hij haar heeft uitgestrekt herstelt zijn hand zich helemaal.
6
Toen de Farizeeƫrs buiten zijn gekomen hebben ze meteen met de Herodianen tegen hem een beraad gegeven hoe ze hem zouden kunnen ombrengen.
7
Jezus neemt met zijn leerlingen de wijk naar de zee; en vanuit Galilea volgt hem een grote menigte* Letterlijk: een vele veelheid of een talrijk aantal.; ook vanuit Judea,
8
vanuit Jeruzalem, en vanuit Idumea, de overzij van de Jordaan en van rondom Tyrus en Sidon,- een grote menigte* Zie vorige noot.; als ze horen hoevele dingen hij doet komen ze tot hem.
9
En hij zegt tot zijn leerlingen dat er een bootje in zijn buurt moet blijven, vanwege de schare, opdat ze hem niet kunnen wegdrukken.
10
Want hij geneest er zovelen, dat zovelen als er teisteringen hebben gehad hem hebben overvallen om hem vast te grijpen.
11
Ook de onreine geesten, wanneer ze hem gewaarwerden, hebben hem overvallen; krijsend hebben zij gezegd: jij, jij bent de zoon van God!
12
En vele dingen heeft hij hun bestraffend toegevoegd, opdat ze hem niet openbaar zouden maken.