| 20 | Hij komt een huis binnen, en weer komt er zo’n schare samen dat zij niet bij machte zijn hun brood te eten.
| |
| 21 | Als wie bij hem zijn dat horen komen ze naar buiten om hem te overmeesteren;
| |
| 22 | want, hebben ze gezegd, hij treedt buiten zichzelf! De schriftgeleerden die uit Jeruzalem afdalen, hebben gezegd: hij heeft Beëlzeboel (in zich)!, en: één met de overste der demonieën werpt hij de demonieën uit!
| |
| 23 | Hen tot zich roepend heeft hij in tegenwerpspreuken* Of: zinnebeelden. tot hen gezegd: hoe is een satan bij machte een satan uit te werpen?-
| |
| 24 | en als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld raakt, is het niet bij machte staande te blijven, dat koninkrijk;
| |
| 25 | als een huishouden tegen zichzelf verdeeld raakt, dan kan dat huis onmogelijk staan;
| |
| 26 | en als de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld raakt, kan hij onmogelijk standhouden, nee, dan heeft hij een einde;
| |
| 27 | nee, niemand is bij machte het huis van de sterke binnen te komen om diens spullen te roven, als hij de sterke niet eerst vastbindt; en dán zal hij diens huis leegroven;
| |
| 28 |
amen is het, zeg ik u: alles zal aan de mensenzonen vergeven worden, de bezondigingen en evenveel lasteringen als waarmee ze zullen lasteren, | |
| 29 | maar als iemand lastert tegen de heilige Geest, die heeft tot in eeuwigheid geen vergeving, nee, die heeft deel aan eeuwige bezondiging!
| |
| 30 | (Dit) omdat zij hebben gezegd: hij heeft een onreine geest in zich!
| |
| 31 | Dan komen zijn moeder en zijn broers; ze blijven buiten staan en zenden bericht aan hem en laten hem roepen.
| |
| 32 | Om hem heen heeft een schare gezeten; ze zeggen tot hem: zie, uw moeder, uw broers en uw zusters buiten zoeken u!
| |
| 33 | Ten antwoord zegt hij tot hen: wíe ís mijn moeder, en mijn broeders?
| |
| 34 | Hij kijkt in het rond naar hen die in een cirkel rondom hem zitten, en zegt: ziehier mijn moeder en mijn broeders!-
| |
| 35 | wie de wil van God zal doen, die is mijn broeder, en zuster, en moeder!
| |