Weer begint hij te onderrichten, langs de zee; er verzamelt zich bij hem zo’n zeer talrijke schare, dat hij in een boot stapt en (daarin) gaat zitten, op de zee; en heel de schare, zij zijn bij de zee op het land geweest.
In zinnebeelden heeft hij hen vele dingen onderricht; hij heeft tot hen in zijn onderricht gezegd:
3
hoort!- zie, de zaaier gaat uit om te zaaien;
4
en het geschiedt bij het zaaien: het (één) valt langs de weg, de vogels komen en eten het op;
5
een ander (deel) valt op de rotsen, waar het niet veel aarde heeft gehad; meteen komt het op, omdat het niet veel diepte van aarde heeft;
6
wanneer de zon opkomt, verschroeit het, en omdat het geen wortel heeft droogt het weg;
7
een ander (deel) valt tussen de distels, en de distels schieten op en verstikken het, en het geeft geen vrucht;
8
een ander (deel) valt in de goede aarde, schiet op, groeit en geeft vrucht; het heeft gedragen één (deel) dertig-, één (deel) zestig- en één (deel) honderdvoud!
9
Hij heeft gezegd: wie oren heeft om te horen, die moet horen!