en het geschiedt bij het zaaien: het (één) valt langs de weg, de vogels komen en eten het op;
5
een ander (deel) valt op de rotsen, waar het niet veel aarde heeft gehad; meteen komt het op, omdat het niet veel diepte van aarde heeft;
6
wanneer de zon opkomt, verschroeit het, en omdat het geen wortel heeft droogt het weg;
7
een ander (deel) valt tussen de distels, en de distels schieten op en verstikken het, en het geeft geen vrucht;
8
een ander (deel) valt in de goede aarde, schiet op, groeit en geeft vrucht; het heeft gedragen één (deel) dertig-, één (deel) zestig- en één (deel) honderdvoud!