Instellingen

26


Ook heeft hij gezegd:

zó is het koningschap van God,-
als een mens die het zaad uitwerpt
over het aardland;

27


hij gaat slapen en hij wordt wakker,

een nacht en een dag…
het zaad kiemt en wordt groot,
en hóe, dat weet hij niet;

28


vanzelf draagt het aardland vrucht,

eerst een grasje, dan een aar,
en dan volop koren in de aar;

29


wanneer de vrucht zich prijsgeeft,

‘zendt hij meteen de sikkel uit,
omdat de zomeroogst is aangetreden’ (Joël 4,13).

30


Ook heeft hij gezegd:

hoe moeten we het koningschap van God
vergelijken,
of in welk zinnebeeld
moeten we het voorstellen?-

31


als met een mosterdzaadje,

dat, wanneer het op het aardland wordt gezaaid,
kleiner is dan alle zaden op het aardland,

32


en wanneer het is gezaaid,

schiet het op en wordt het groter
dan alle tuingewassen
en maakt het takken, zó groot
dat ‘onder zijn schaduw
de vogels van de hemel vermogen te schuilen’

(Ps. 104,12)!